Eiser, eigenaar van een bedrijf dat wild levert, vroeg een jachtakte aan om zelf het wild te kunnen schieten. De korpschef van de Nationale Politie weigerde de jachtakte op grond van artikel 3.28, derde lid, aanhef en onder e, van de Wet natuurbescherming (Wnb), omdat eiser in de acht jaren voorafgaand aan de aanvraag onherroepelijk was veroordeeld wegens een overtreding van de Wet wapens en munitie (Wwm).
De minister van Justitie en Veiligheid verklaarde het administratief beroep van eiser tegen deze weigering ongegrond. De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit onbevoegd was genomen door de minister, omdat het bezwaar tegen het primaire besluit bij de korpschef had moeten worden ingesteld. De korpschef nam het besluit vervolgens voor zijn rekening, waardoor het bevoegdheidsgebrek werd gepasseerd.
De rechtbank oordeelde dat de weigering van de jachtakte dwingend is voorgeschreven door de wet en dat geen ruimte bestaat voor een individuele belangenafweging. Eisers argumenten, waaronder het belang bij het volgen van een cursus wildhygiëne en het ontbreken van kennis over de gevolgen van het instellen van verzet tegen de strafbeschikking, werden verworpen. Ook een beroep op het recht op een eerlijk proces en algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde de verweerder in de proceskosten van eiser en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eiser wordt vergoed.