ECLI:NL:RBDHA:2020:8745
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking vergoeding rechtsbijstand wegens onvoldoende motivering bedrijfsbedreigende situatie
Eiser, een advocaat werkzaam bij een kantoor dat deelneemt aan het High Trust-programma, had een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand in een faillissementszaak. Verweerder verleende de toevoeging en stelde een vergoeding vast, maar trok deze later in op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb), omdat het geschil betrekking had op bedrijfsmatig handelen en de voortzetting van het bedrijf niet afhankelijk zou zijn van de rechtsbijstand.
Eiser voerde aan dat de faillissementsaanvraag inherent een bedrijfsbedreigende situatie vormde en dat de voortzetting van het bedrijf wel degelijk afhankelijk was van de rechtsbijstand, ook al was de administratie in beslag genomen en kon hij niet eerder dan in januari 2019 financiële gegevens overleggen. De rechtbank stelde vast dat het geschil zich beperkte tot de vraag of de uitzonderingssituatie van artikel 12 Wrb Pro van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom geen sprake was van een situatie waarin de voortzetting van het bedrijf afhankelijk was van de rechtsbijstand. De datum van de toevoegingsaanvraag was bepalend en op dat moment was er een faillissementsaanvraag. De financiële draagkracht achteraf was niet doorslaggevend. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de vergoeding wordt vernietigd.