Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Procesverloop
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse nationaliteit bezittende vreemdeling, was gehuwd met een Turkse partner en had een verblijfsvergunning als gezinslid. Na de echtscheiding op 9 juli 2018 heeft de staatssecretaris de vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en een nieuwe aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 3.31b Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 7 van Pro Besluit nr. 1/80.
Eiser voerde aan dat het huwelijk feitelijk pas na drie jaar was ontwricht en dat hij ook aan de voorwaarden van het Associatiebesluit voldeed vanwege meer dan drie jaar samenwonen. De rechtbank oordeelde echter dat de juridische ontbinding van het huwelijk leidend is en dat de periode van samenwonen pas begint na toestemming om zich bij de Turkse werknemer te voegen. Hierdoor voldeed eiser niet aan de vereiste termijnen.
Daarnaast stelde eiser dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht had mogen plaatsvinden, maar de rechtbank vond dat de intrekking per datum van de echtscheiding terecht was. De rechtbank oordeelde ook dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.