ECLI:NL:RBDHA:2020:8899
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beëindiging WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft bij de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van haar WIA-uitkering per 27 januari 2020. Dit bezwaar is ongegrond verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank Den Haag. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de gevolgen van het wegvallen van haar uitkering te verzachten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster geen griffierecht hoeft te betalen vanwege haar beperkte financiële middelen. Vervolgens werd beoordeeld of sprake was van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Hoewel het verlies van de WIA-uitkering leidt tot een aanzienlijk inkomensverlies, beschikt verzoekster over een bijstandsuitkering en deelt zij woonlasten met haar moeder. Tevens heeft zij betalingsregelingen getroffen met schuldeisers.
Verzoekster stelde achterstanden te hebben bij huur en levensonderhoud, maar deze zijn onvoldoende onderbouwd. Er is geen aanwijzing dat zij op korte termijn haar woning zal verliezen of niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Hierdoor is geen acute financiële noodsituatie vastgesteld. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster de uitspraak in het hoofdgeding kan afwachten en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.