ECLI:NL:RBDHA:2020:8918
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverwijzing naar Duitsland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Tegelijkertijd verzocht eiser om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 8 september 2020 was eiser en zijn gemachtigde afwezig, terwijl de gemachtigde van verweerder aanwezig was. De rechtbank en voorzieningenrechter deden direct uitspraak.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende onderbouwing gaf voor zijn wantrouwen in het Duitse asielsysteem en zijn beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening faalde omdat hij geen bijzondere omstandigheden aanvoerde. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-behandelen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.