ECLI:NL:RBDHA:2020:8970
Rechtbank Den Haag
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure wegens ongegrond beroep
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 27 juli 2020 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Op 3 september 2020 vond de zitting plaats waarbij verzoeker, bijgestaan door een gemachtigde en tolk, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door een gemachtigde, aanwezig waren. De voorzieningenrechter overwoog dat het beroep ongegrond was verklaard in een gelijktijdige uitspraak (zaaknummer NL20.14918), waardoor de noodzaak voor een voorlopige voorziening verviel.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter M. Kraefft, met griffier M.A.J. van Beek, en vanwege coronamaatregelen niet in een openbare zitting uitgesproken. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het onderliggende beroep ongegrond is verklaard.