ECLI:NL:RBDHA:2020:9094

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 september 2020
Publicatiedatum
18 september 2020
Zaaknummer
AWB 20/2762
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:17 AwbArt. 30a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling samenhang en hoogte dwangsom bij meerdere asielaanvragen van familieleden

Eiseressen, drie zussen van Syrische nationaliteit, dienden afzonderlijk asielaanvragen in. De staatssecretaris verklaarde deze niet-ontvankelijk en kende een dwangsom toe wegens het niet tijdig beslissen. Verweerder stelde dat vanwege de samenhang tussen de gelijktijdig ingediende aanvragen slechts één dwangsom verschuldigd is, gebaseerd op artikel 4:17 Awb Pro en jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Eiseressen betwistten dit en voerden aan dat zij ieder afzonderlijk recht hebben op een dwangsom, omdat zij ook afzonderlijke besluiten ontvingen. De rechtbank overwoog dat de samenhang tussen de aanvragen, mede vanwege het familieverband en gelijktijdige indiening, een redelijke grond vormt om slechts één dwangsom toe te kennen. Eiseressen konden geen voldoende onderbouwing geven om hiervan af te wijken.

De hoogte van de dwangsom werd niet betwist. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Janse van Mantgem op 8 september 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep van eiseressen wordt kennelijk ongegrond verklaard en slechts één dwangsom wordt toegekend vanwege samenhang tussen de aanvragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/2762
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1

geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [#1] ,
[eiseres 2], eiseres 2
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [#2] ,
[eiseres 3], eiseres 3,
geboren op [geboortedatum 3] ,
V-nummer: [#3] ,
allen van Syrische nationaliteit,
gezamenlijk te noemen eiseressen,
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen, advocaat)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder.

Procesverloop

Op 4 juli 2018 hebben eiseressen afzonderlijk aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij afzonderlijke brieven van 14 januari 2020 hebben eiseressen verweerder meegedeeld dat hij in gebreke is door niet binnen de beslistermijn op de aanvragen te beslissen.
Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2020 heeft verweerder de aanvragen van eiseressen niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseressen een dwangsom toegekend.
Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat aan eiseressen een dwangsom moet worden betaald omdat niet binnen de wettelijke beslistermijn op de aanvragen is beslist. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat slechts één dwangsom hoeft te worden betaald, omdat sprake is van samenhang tussen de aanvragen van eiseressen. Immers, de aanvragen zijn gelijktijdig ingediend en de aanvragen zijn gebaseerd op grotendeels gelijkluidende asielrelazen. Verweerder verwijst hiervoor naar artikel 4:17, zevende lid, van de Awb en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 december 2018 [1] . Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de hoogte van de dwangsom € 812,- bedraagt.
3. Eiseressen zijn het daar niet mee eens en voeren het volgende aan. Het gezamenlijk moeten delen van een dwangsom ziet op de situatie waarin één besluit wordt genomen dat voor alle betrokkenen geldt. In de situatie van eiseressen kon echter niet worden volstaan met een gezamenlijk besluit. Eiseressen hebben ieder afzonderlijk een individueel besluit ontvangen. Omdat zij ieder afzonderlijk een aanvraag hebben ingediend, hebben zij ook ieder afzonderlijk recht op vergoeding van de dwangsom.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 [2] is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij de aanvragen van eiseressen, die zussen van elkaar zijn, bij de toekenning van de dwangsom terecht als uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van samenhang. Met de stelling, dat sprake is van drie afzonderlijke aanvragen en drie afzonderlijke besluiten hebben eiseressen niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Nu de aanvragen gelijktijdig zijn ingediend en het familieleden betreft, neemt de rechtbank aan dat de aanvragen zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. Eiseressen hebben geen onderbouwd aanknopingspunt geboden voor een ander oordeel.
5. De rechtbank stelt vast dat eiseressen de hoogte van de toegekende dwangsom niet hebben betwist.
6. Het beroep is kennelijk ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier, op 8 september 2020.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.