ECLI:NL:RVS:2018:3933

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2018
Publicatiedatum
4 december 2018
Zaaknummer
201806393/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 7:14 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling gezamenlijke dwangsom bij niet tijdig beslissen op gezamenlijk bezwaarschrift vreemdelingen

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 24 april 2017 een aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen stelden de staatssecretaris in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaar en vorderden een dwangsom. De rechtbank Den Haag stelde de dwangsom vast op € 1.260 per vreemdeling afzonderlijk.

De staatssecretaris ging in hoger beroep en betoogde dat de dwangsom slechts éénmaal gezamenlijk verschuldigd is bij een gezamenlijk ingediend bezwaarschrift, op grond van artikel 4:17, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit niet had onderkend en dat de dwangsom derhalve ten onrechte per persoon was vastgesteld.

De Afdeling vernietigde het bestreden deel van de uitspraak en stelde de dwangsom vast op € 1.260 voor de vreemdelingen gezamenlijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 3 december 2018 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het gezamenlijke bezwaarschrift wordt vastgesteld op € 1.260 gezamenlijk in plaats van per persoon.

Uitspraak

201806393/1/V1.
Datum uitspraak: 3 december 2018
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 juni 2018 in zaken nrs. 18/1694, 18/1696, 18/1692 en 18/1698 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij faxbericht van 20 februari 2018 hebben de vreemdelingen de staatssecretaris in gebreke gesteld omdat hij niet tijdig heeft beslist op het daartegen door hen gemaakte bezwaar.
De vreemdelingen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen  door de staatssecretaris op het door hen gemaakte bezwaar.
Bij uitspraak van 28 juni 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.260,00 (zegge: twaalfhonderdzestig euro) voor ieder van de vreemdelingen afzonderlijk.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank de door hem verschuldigde dwangsom ten onrechte heeft vastgesteld op € 1.260,00 voor ieder van de vreemdelingen afzonderlijk. De rechtbank had volgens hem de dwangsom moeten vaststellen op € 1.260,00 voor de vreemdelingen gezamenlijk. Hij verwijst hiervoor naar artikel 4:17, zevende lid, van de Awb.
2.    Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
Ingevolge artikel 4:17, zevende lid, van de Awb is de dwangsom, indien er meer dan één aanvrager is, aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.
Ingevolge artikel 7:14 van Pro de Awb zijn artikel 3:6, tweede lid, afdeling 3.4, de artikelen 3:41 tot en met 3:45, afdeling 3.7, met uitzondering van artikel 3:49 en Pro titel 4.1, met uitzondering van de artikelen 4:14, eerste lid, en 4:15, eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdelen b en c, derde lid en vierde lid en paragraaf 4.1.3.2, niet van toepassing op besluiten op grond van deze afdeling.
3.    Gelet op artikel 7:14 van Pro de Awb is paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing als de staatssecretaris niet tijdig beslist op een bezwaarschrift. In deze paragraaf is artikel 4:17 opgenomen Pro. Gelet op het zevende lid van deze bepaling is de staatssecretaris in totaal één dwangsom verschuldigd als twee of meer belanghebbenden gezamenlijk een bezwaarschrift hebben ingediend waarop hij niet tijdig beslist (Kamerstukken II 2004/2005, 29 934, nr. 6, blz. 14-16). Die situatie doet zich in dit geval voor omdat de vreemdelingen gezamenlijk één bezwaarschrift hebben ingediend. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt.
4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom heeft vastgesteld op € 1.260,00 voor ieder van de vreemdelingen afzonderlijk. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom vaststellen op € 1.260,00 voor de vreemdelingen gezamenlijk.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 juni 2018 in zaken nrs. 18/1694, 18/1696, 18/1692 en 18/1698, voor zover de rechtbank de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom heeft vastgesteld op € 1.260,00 (zegge: twaalfhonderdzestig euro) voor ieder van de vreemdelingen afzonderlijk;
III.    stelt de door de staatssecretaris verbeurde dwangsom vast op € 1.260,00 (zegge: twaalfhonderdzestig euro) voor de vreemdelingen gezamenlijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Verheij    w.g. De Keizer
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2018
716.