ECLI:NL:RVS:2018:3933
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezamenlijke dwangsom bij niet tijdig beslissen op gezamenlijk bezwaarschrift vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 24 april 2017 een aanvraag van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen stelden de staatssecretaris in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op hun bezwaar en vorderden een dwangsom. De rechtbank Den Haag stelde de dwangsom vast op € 1.260 per vreemdeling afzonderlijk.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en betoogde dat de dwangsom slechts éénmaal gezamenlijk verschuldigd is bij een gezamenlijk ingediend bezwaarschrift, op grond van artikel 4:17, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit niet had onderkend en dat de dwangsom derhalve ten onrechte per persoon was vastgesteld.
De Afdeling vernietigde het bestreden deel van de uitspraak en stelde de dwangsom vast op € 1.260 voor de vreemdelingen gezamenlijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 3 december 2018 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het gezamenlijke bezwaarschrift wordt vastgesteld op € 1.260 gezamenlijk in plaats van per persoon.