ECLI:NL:RBDHA:2020:9126
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring van beroep tegen voortzetting maatregel van vreemdelingenbewaring
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is sinds 18 maart 2020 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank toetst of sinds 30 maart 2020, het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek, de maatregel nog rechtmatig is. Eiser stelt dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat ondanks presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten geen laissez-passer is afgegeven. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende inspanningen verricht om verwijdering te realiseren en dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting.
Verder voert eiser aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen vanwege eerdere strafrechtelijke detentie en de lange duur van de lp-aanvraag. De rechtbank stelt dat de bewaring nog geen zes maanden duurt en dat geen verzwaarde belangenafweging aan de orde is. Ook is niet gebleken dat eiser voorafgaand aan strafrechtelijke detentie al vreemdelingenbewaring heeft ondergaan.
De rechtbank concludeert dat het belang van verweerder bij voortzetting van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.