ECLI:NL:RBDHA:2020:9128
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling conversie voorwaardelijke machtiging in voorlopige machtiging door geneesheer-directeur
De rechtbank Den Haag heeft op 19 juni 2020 uitspraak gedaan over het verzoek van betrokkene tegen de conversie van een voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging door de geneesheer-directeur. De voorwaardelijke machtiging was verleend tot 30 april 2020, maar werd op die datum omgezet in een voorlopige machtiging vanwege cannabisgebruik, toenemende achterdocht en agressie jegens derden, met name familie.
Betrokkene voerde aan dat hij tegen zijn wil werd opgenomen, terwijl de officier van justitie het verzoek tot rechterlijke beslissing pas na het verstrijken van de voorlopige machtiging indiende. De rechtbank beoordeelde de zaak aan de hand van artikel 14d Wet Bopz en het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2012.
De rechtbank concludeerde dat de gronden voor vrijheidsbeneming aanwezig waren, omdat betrokkene gevaar voor derden veroorzaakte dat niet kon worden afgewend door naleving van voorwaarden en hij de voorwaarde om geen cannabis te gebruiken had geschonden. De timing van de conversie op de laatste dag van de maatregel maakte de opname niet onrechtmatig.
De rechtbank wees het bezwaar van betrokkene af en bekrachtigde de beslissing van de geneesheer-directeur tot opname. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank wijst het bezwaar af en bekrachtigt de conversie van de voorwaardelijke machtiging in een voorlopige machtiging.