ECLI:NL:RBDHA:2020:9187

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 september 2020
Publicatiedatum
22 september 2020
Zaaknummer
SGR 19/5829
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.14 Omgevingsverordening Zuid-HollandArt. 6.18 Omgevingsverordening Zuid-HollandArt. 4.1 WroArt. 4.1a WroArt. 2.12 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen weigering ontheffing geitenstop

In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de weigering van gedeputeerde staten van Zuid-Holland om ontheffing te verlenen van de geitenstop zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Het college van burgemeester en wethouders (b&w) had deze ontheffing aangevraagd ten behoeve van de legalisatie van uitbreidingen van een geitenhouderij. De geitenhouderij, gevestigd te Stolwijk, stelde beroep in tegen de weigering van gedeputeerde staten.

De kern van het geschil betreft de vraag of de geitenhouderij zelf rechtstreeks beroep kan instellen tegen het besluit van gedeputeerde staten, of dat alleen het college van b&w dat recht heeft. De rechtbank overweegt dat op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht alleen het college van b&w bevoegd is om beroep in te stellen tegen het besluit dat betrekking heeft op de ontheffing.

De rechtbank wijst erop dat het beroep niet door het college van b&w is ingesteld, maar door de geitenhouderij zelf. Hierdoor verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank verwijst naar een andere procedure waarin het college van b&w wel beroep heeft ingesteld tegen hetzelfde besluit. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt vermeld.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep omdat het niet door het bevoegde college van burgemeester en wethouders is ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/5829

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 september 2020 in de zaak tussen

VOF Melkgeitenbedrijf Mooimekkerland, te Stolwijk, eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. J.P.J. Kreeft en mr. R.C.J. van den Berg).
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:
het Buurtcomité Koolwijkseweg, te Stolwijk,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard (het college van b&w), (gemachtigde: mr. S.W. Boot),
[derde partij, sub 3], te [woonplaats] ,
[derde partij, sub 4], te [woonplaats] (gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan het college van b&w ontheffing te verlenen van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens het Buurtcomité Koolwijkseweg is verschenen [E] . Namens het college van b&w zijn verschenen [C] en [D] , bijgestaan door de gemachtigde. [derde partij, sub 3] is verschenen. [derde partij, sub 4] is ook verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 17 mei 2019 heeft het college van b&w bij verweerder ontheffing aangevraagd van de artikelen 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onder k, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (de Omgevingsverordening) ten behoeve van het legaliseren van de strijdigheden op het perceel [weg] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] te [plaats] , alwaar eiseres is gevestigd en waarvoor eiseres bij het college van b&w aanvragen ter legalisatie heeft ingediend. Deze Omgevingsverordening is op 1 april 2019 in werking getreden, onder intrekking van de daarvoor geldende Verordening ruimte 2014.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd de verzochte ontheffing te verlenen. Die weigering houdt verband met de regels in de Verordening die nieuwvestiging dan wel uitbreiding van bestaande geitenhouderijen uitsluiten (de zogeheten ‘geitenstop’).
3. In geschil is of eiseres rechtstreeks beroep kan aantekenen tegen het bestreden besluit.
4. Eiseres stelt dat ook de niet-aanvrager van de ontheffing rechtstreeks beroep kan instellen tegen het besluit op die aanvraag. Zij doet daarvoor een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:965). Volgens eiseres zou er anders een niet te verdedigen onderscheid ontstaan tussen ontheffingen die verband houden met een bestemmingsplan of een omgevingsverordening.
5. Volgens verweerder kan eiseres niet in beroep gaan tegen het bestreden besluit. Uit de wet volgt dat alleen het college van b&w daartegen beroep kan aantekenen.
6. Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het bestemmingsplan wordt afgeweken.
Ingevolge artikel 4.1a, eerste lid, van de Wro, kan bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, worden bepaald dat gedeputeerde staten op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van krachtens dat lid vast te stellen regels, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
Het tweede lid bepaalt dat, voor zover de ontheffing wordt aangevraagd met het oog op een voorgenomen besluit tot verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3º, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, deze ontheffing wordt aangemerkt als een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo.
Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van Pro de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2). In artikel 1 van Pro de bijlage is bepaald dat tegen een besluit als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo slechts beroep kan worden ingesteld door het gezag dat bevoegd is ten aanzien van de beschikking waarop de verklaring betrekking heeft.
7. De rechtbank overweegt dat dit beroep niet is ingesteld door het college van b&w, het gezag dat bevoegd is ten aanzien van de beschikking waarop de ontheffing betrekking heeft, maar door eiseres. Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Dat een niet-aanvrager van de ontheffing mogelijk wel rechtstreeks beroep kan instellen tegen een ontheffingsbesluit dat verband houdt met een bestemmingsplan, doet aan de onbevoegdheid van de rechtbank in het onderhavige geval niet af.
8. Overigens heeft de rechtbank bij uitspraak van heden (zaaknummer 19/5826) uitspraak gedaan in de beroepsprocedure die het college van b&w heeft ingediend tegen hetzelfde besluit.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzitter, en mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin en mr. A.C. de Winter, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.