ECLI:NL:RBDHA:2020:9555
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en mensenhandel
Eisers, waaronder een moeder en haar minderjarige kinderen, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hun asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is gebaseerd op de Dublinverordening, waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen omdat eisers daar een visum hebben ontvangen.
Eisers voerden aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen vanwege het gebruik van een Engelse tolk in plaats van hun moedertaal Luganda, de aanwezigheid van kinderen tijdens het gehoor en het ontbreken van nader uitstel voor het indienen van een zienswijze. De rechtbank oordeelde dat de tolk adequaat was en dat eisers voldoende gelegenheid hadden om hun zienswijze naar voren te brengen. Ook was er geen reden om aan te nemen dat de aanwezigheid van de kinderen het vrije verklaren belemmerde.
Verder stelden eisers dat hun bijzondere omstandigheden, waaronder een aangifte van mensenhandel die later werd geseponeerd, een uitzondering op de overdracht aan Duitsland rechtvaardigen. De rechtbank oordeelde dat de aangifte en het feit dat het zedendelict in Nederland plaatsvond geen reden zijn om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. De verwijzing naar eerdere jurisprudentie werd niet gevolgd vanwege de andere situatie en voldoende motivering door verweerder.
Ten slotte wees de rechtbank het argument af dat verweerder ten onrechte geen mogelijkheid voor zelfstandig vertrek naar Duitsland bood. De rechtbank volgde de vaste jurisprudentie dat de wijze van overdracht niet in een rangorde is vastgelegd en dat verweerder afhankelijk is van de Duitse autoriteiten. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.