ECLI:NL:RVS:2017:2162
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid van niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel na Dublin-overdracht
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie nam een besluit om de aanvraag van een vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat de Duitse autoriteiten hadden bevestigd dat vrijwillige terugkeer niet mogelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen waarbij de vreemdeling de mogelijkheid zou krijgen om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de verantwoordelijkheid voor de overdracht primair bij hem ligt en dat er geen verplichting bestaat om de vreemdeling altijd de mogelijkheid te bieden voor een overdracht op eigen initiatief. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de Uitvoeringsverordening inderdaad geen rangorde voorschrijft voor de wijze van overdracht en dat de staatssecretaris terecht de mogelijkheid tot zelfstandig vertrek kon onthouden gezien de mededeling van de Duitse autoriteiten.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee bevestigde de Afdeling dat het besluit van de staatssecretaris rechtmatig was en dat de vreemdeling niet verplicht is altijd de mogelijkheid te krijgen om zelf de overdracht te regelen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot niet in behandeling nemen van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.