ECLI:NL:RBDHA:2020:9634
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslag tijdens proeftijd bij ambtenaar ondanks ziekte en bezwaar
Eiseres werd op 3 oktober 2017 aangesteld met een proeftijd tot 30 juni 2018, met verlenging van de proeftijd tot 30 juni 2019 wegens een administratieve fout. Ondanks langdurige ziekte en beperkte arbeidsuren, werd haar proeftijd tussentijds beëindigd met ontslag per 1 februari 2019 op grond van artikel 95 ARAR Pro. Eiseres stelde dat het besluit tot proeftijdverlenging niet rechtsgeldig was omdat zij niet correct geïnformeerd was en dat zij vanaf 1 juni 2018 een vaste aanstelling had.
De rechtbank oordeelde dat het besluit tot verlenging van de proeftijd wel rechtsgeldig was bekendgemaakt via een geautomatiseerd bericht in P-Direkt en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij dit bericht niet had gelezen. Ook tijdens een personeelsgesprek was zij op de hoogte gesteld. Het beroep tegen het tussentijdse ontslag werd ongegrond verklaard omdat het bestuursorgaan redelijkerwijs mocht oordelen dat eiseres niet aan de gestelde eisen voldeed, mede door haar ziekteverzuim en gebrek aan initiatief tot terugkeer.
De rechtbank verwierp tevens het betoog dat het onderscheid in rechtsbescherming tussen tijdelijke en vaste aanstellingen discriminerend was, aangezien dit inherent is aan de verschillende rechtsposities. De wet normalisering rechtspositie ambtenaren die per 1 januari 2020 inging, was niet van toepassing op het besluit uit januari 2019. Het beroep werd afgewezen en er was geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het tussentijdse ontslag tijdens de proeftijd wordt ongegrond verklaard.