ECLI:NL:RBDHA:2020:9637
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag Palestijnse statushouder met Griekse bescherming
Eiser, een Palestijnse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel in Nederland, maar zijn aanvraag werd niet-ontvankelijk verklaard door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000. Dit besluit werd aangevochten bij de rechtbank Den Haag.
De kern van het geschil betrof de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Nederland ervan uitgaat dat Griekenland de internationale bescherming van de statushouder adequaat verzorgt. Eiser voerde aan dat in zijn situatie dit vertrouwensbeginsel niet toepasbaar is vanwege vermeende tekortkomingen in de huisvesting en bescherming tegen bedreigingen door Hamas, onderbouwd met vertaalde chatberichten en internetbronnen.
De rechtbank oordeelde dat de aangeleverde chatberichten onvoldoende duidelijkheid boden over de adressering van het verzoek om huisvesting en dat de authenticiteit van de vertalingen onduidelijk was. Ook konden de internetbronnen niet aantonen dat Griekenland niet in staat zou zijn om bescherming te bieden tegen Hamas. De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.