ECLI:NL:RBDHA:2020:9752
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlening zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De rechtbank Den Haag behandelde op 23 september 2020 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van een jongvolwassene geboren in 2003. De betrokkene lijdt aan depressieve stemmingsstoornissen en overige DSM-5 stoornissen, die leiden tot ernstig nadeel zoals levensgevaar en ernstig lichamelijk letsel.
Hoewel betrokkene momenteel vrijwillig meewerkt aan behandeling en dit ook prefereert, is er onvoldoende vertrouwen dat zij deze medewerking zal volhouden, zeker indien intensieve behandeling onvoldoende effect heeft. De kinderrechter achtte daarom verplichte zorg noodzakelijk, mede gelet op het risico van suïcide bij weigering van opname.
De verleende zorgmachtiging omvat onder meer het toedienen van vocht, voeding en medicatie, medische controles, beperking van bewegingsvrijheid, insluiting, toezicht, onderzoeken aan kleding en woonruimte, beperkingen in vrijheid en bezoekrecht, en opname in een accommodatie indien de lichamelijke toestand verslechtert. De machtiging geldt tot 23 maart 2021.
De kinderrechter oordeelde dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat de verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief is. De beschikking is uitgesproken door kinderrechter H.M. Boone en griffier A.E. Babulall-Balkaran en schriftelijk vastgesteld op 5 oktober 2020.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging tot 23 maart 2021 voor verplichte zorg vanwege dreigend ernstig nadeel door psychische stoornis.