Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Stichting het Groene Hart Ziekenhuis, te Gouda
Rechtbank Den Haag
Eiseres, werkzaam als patiëntenvoorlichter, ontving sinds 2013 een WGA-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgever concludeerde een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) dat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt, waarna de uitkering per 1 mei 2020 werd ingetrokken.
Eiseres stelde dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig was, onder meer vanwege het tijdsverloop tussen het onderzoek en de intrekking en de onvoldoende vertaling van haar medische beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts b&b alle relevante medische informatie, inclusief recente gegevens van huisarts en specialisten, had betrokken en dat het tijdsverloop niet leidde tot een onjuiste beoordeling.
Verder werd geoordeeld dat verschillen tussen de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b begrijpelijk zijn, maar dat de b&b-arts zijn conclusies voldoende onderbouwde. De operatie van eiseres in juni 2020 en de wisselende ernst van psychische klachten werden adequaat meegenomen in de beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WGA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WGA-uitkering bevestigd.