ECLI:NL:RBDHA:2021:10342
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vaststelling geen rechtmatig verblijf van Poolse burger in Nederland
Eiser, een Poolse burger die circa twaalf jaar geleden naar Nederland kwam, werd door de politie in 2013 als vreemdeling geregistreerd. Verweerder stelde bij besluit vast dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van het Unierecht, omdat hij niet voldeed aan de vereisten van het Vreemdelingenbesluit 2000, met name het ontbreken van werk, onvoldoende middelen van bestaan en geen geldige zorgverzekering.
Eiser voerde aan dat hij ten tijde van het bestreden besluit werkzaam was en dat de belangenafweging onterecht in zijn nadeel was uitgevallen, mede vanwege een geweigerd Europees aanhoudingsbevel en mogelijke schending van artikel 6 EVRM Pro bij verwijdering. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde van reële en daadwerkelijke arbeid en dat de belangenafweging terecht negatief was, waarbij onder meer werd meegewogen dat eiser nauwelijks betrokken is bij de Nederlandse samenleving en meerdere malen met politie in aanraking is geweest.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en dat het beroep ongegrond is. Ook werd geoordeeld dat verweerder mocht afzien van het horen van eiser. Het beroep werd afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft wordt ongegrond verklaard.