ECLI:NL:RVS:2018:3584
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- H.G. Lubberdink
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Belangenafweging vereist bij beëindiging rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan ondanks ontbreken verblijfsrecht
De vreemdeling, een Roemeense gemeenschapsonderdaan, ontving sinds 2016 een bijstandsuitkering en werd door de staatssecretaris bij besluit van 16 september 2016 vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had. De staatssecretaris weigerde een belangenafweging te maken omdat de vreemdeling nooit aan de vereisten voor rechtmatig verblijf had voldaan. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat op grond van artikel 14, derde lid, en punt 16 van de considerans van de Verblijfsrichtlijn altijd een belangenafweging vereist is voordat een verwijderingsmaatregel wordt genomen, ook indien het verblijfsrecht nooit heeft bestaan. De staatssecretaris moet onderzoeken of de vreemdeling een onredelijke belasting vormt voor het socialebijstandsstelsel, rekening houdend met de duur van het verblijf, persoonlijke omstandigheden en het bedrag van de uitgekeerde bijstand.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen waarin een belangenafweging wordt gemaakt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het besluit en verplicht de staatssecretaris een belangenafweging te maken alvorens verwijdering.