Eiseres, een plantenkwekerij, maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van het Westland om haar subsidie op nihil vast te stellen in het kader van de herstructurering van agrarische bedrijfswoningen. De subsidie was oorspronkelijk toegekend aan een derde partij, die de woning van eiseres had overgenomen en medebegunstigden had aangewezen. Eiseres had haar volmacht aan de derde partij ingetrokken en verzocht om directe subsidieverlening.
De rechtbank overwoog dat eiseres geen subsidiabele kosten had gemaakt zoals vereist in artikel 11, vijfde lid, van de subsidieverordening, en dat verweerder daarom terecht de subsidie op nihil had vastgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en de hoorplicht werd verworpen omdat eiseres voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt naar voren te brengen.
De rechtbank stelde vast dat verweerder beoordelingsruimte heeft bij subsidievaststelling en dat geen sprake was van onbillijkheid van overwegende aard die toepassing van de hardheidsclausule zou rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.