Uitspraak
Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 23 augustus 2021 ingekomen verzoek van:
[X] ,
[Y] ,
Procedure
- het verzoekschrift;
- de brief 23 september 2021, met bijlagen, van de zijde van de moeder.
Rechtbank Den Haag
De moeder verzocht de rechtbank Den Haag om de onmiddellijke terugkeer van haar minderjarige kind vanuit Libanon naar Nederland te gelasten, nadat de vader het kind na een vakantie in Libanon niet had teruggebracht. De vader, die gezamenlijk gezag heeft, verscheen niet op de zittingen en voerde geen verweer.
De rechtbank stelde vast dat de overbrenging en vasthouding van het kind in Libanon ongeoorloofd was volgens artikel 3 van Pro het Haags Kinderontvoeringsverdrag, ondanks dat Libanon geen partij is bij het Verdrag. De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 Rv Pro rechtsmacht, aangezien de moeder in Nederland woont.
Omdat minder dan een jaar was verstreken sinds de overbrenging, en er geen weigeringsgronden waren, werd de onmiddellijke terugkeer van het kind gelast. De vader werd tevens veroordeeld tot betaling van € 11.257,17 aan de moeder voor gemaakte en te maken kosten in verband met de teruggeleiding. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Nederland en veroordeelt de vader tot betaling van € 11.257,17 aan de moeder.