Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP
- de advocaat van de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Gerechtshof Den Haag
Deze zaak betreft een internationale kinderontvoering waarbij een minderjarig kind door de vader naar India is overgebracht zonder instemming van de moeder, die in Nederland woont. De moeder verzocht teruggeleiding van het kind naar Nederland op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag (HKOV), terwijl India geen partij is bij dit verdrag. De rechtbank Den Haag had de teruggeleiding reeds gelast, maar het hof had zich aanvankelijk onbevoegd verklaard. Na vernietiging door de Hoge Raad is het hof opnieuw bevoegd verklaard en heeft het de teruggeleiding bevestigd.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de moeder in Nederland woont en het kind hier tot 2016 zijn gewone verblijfplaats had. De overbrenging van het kind naar India is ongeoorloofd volgens artikel 3 HKOV Pro, omdat het gezamenlijke gezag van de ouders werd geschonden en de moeder niet instemde. De vader kon geen geldige weigeringsgrond aantonen onder artikel 13 lid 1 sub b HKOV Pro; het risico op ondragelijke toestand voor het kind bij terugkeer werd niet aannemelijk gemaakt.
Het hof weegt ook het belang van het kind en de bescherming van family life volgens artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro mee, maar acht de teruggeleiding niet in strijd hiermee. De vader wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €10.000 per dag bij niet-naleving, tot maximaal €1.000.000, en in beperkte proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad. De zaak bevat tevens uitgebreide procedurele overwegingen over de rechtsmacht en de toepassing van het HKOV in niet-verdragslanden.
Uitkomst: Het hof gelast onmiddellijke teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland en veroordeelt de vader tot betaling van een dwangsom en proceskosten.