ECLI:NL:RBDHA:2021:10896
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens hoofdverblijf in gezamenlijke huishouding
Verzoeker kreeg per 3 maart 2015 een bijstandsuitkering toegekend als alleenstaande, met een uitkeringsadres in [plaats 1]. Verweerder trok de uitkering per 1 april 2020 in en vorderde €15.910,- terug wegens vermoedelijk hoofdverblijf bij de moeder van zijn kinderen in [plaats 2] en het voeren van een gezamenlijke huishouding.
Verzoeker betwistte dit en stelde dat hij zijn hoofdverblijf in [plaats 1] had behouden, met incidenteel verblijf bij zijn kinderen in [plaats 2]. Hij voerde aan dat het onderzoek van verweerder onvolledig was, onder meer door het ontbreken van huisbezoeken en beperkt buurtonderzoek.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het zwaartepunt van verzoekers persoonlijk leven sinds 1 april 2020 in [plaats 2] ligt, gelet op zijn eigen verklaringen, bankafschriften, en het lage energieverbruik in de woning in [plaats 1]. De verklaringen van twee buren ondersteunen dit beeld. Het onderzoek van verweerder was voldoende voor een voorlopig oordeel.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de intrekking van de bijstandsuitkering met ingang van 1 april 2020 naar verwachting stand zal houden in bezwaar en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er was geen spoedeisend belang bij de terugvordering en geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.