ECLI:NL:RBDHA:2021:10897
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens weigering huisbezoek
Verzoekster had een bijstandsuitkering die per 18 augustus 2021 werd ingetrokken omdat zij weigerde mee te werken aan een huisbezoek op 3 augustus 2021. Verzoekster stelde dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek en dat haar privacy werd geschonden. Verweerder stelde dat er concrete aanwijzingen waren die het huisbezoek rechtvaardigden, zoals een hoog waterverbruik dat niet overeenkwam met de opgegeven woonsituatie en verklaringen van buurtbewoners.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang omdat verzoekster geen inkomsten had en haar vaste lasten niet kon betalen. Uit het dossier bleek dat het waterverbruik op het adres van verzoekster overeenkwam met een huishouden van vier personen, terwijl zij verklaarde alleen te wonen. Buurtbewoners bevestigden dat verzoekster met haar twee zoons woonde. Verzoekster kon het hoge waterverbruik niet aannemelijk verklaren.
De voorzieningenrechter stelde vast dat er een redelijke grond bestond voor het huisbezoek en dat de weigering van verzoekster om mee te werken een schending van haar medewerkingsverplichting was. De privacy-inbreuk werd niet geacht ongeoorloofd te zijn omdat de handhavingsspecialisten zich hadden gelegitimeerd en de informatie van buurtbewoners spontaan was verstrekt. Het gebruik van een beëdigde tolk waarborgde een correcte vertaling tijdens het gesprek.
Daarom bleef het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering in stand en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wegens weigering van een huisbezoek wordt afgewezen.