Eiser werkte tot 15 augustus 2015 bij de Penitentiaire Inrichting Zuid Limburg en kreeg op eigen verzoek eervol ontslag met toekenning van een loopbaanpremie van €66.835,68 bruto, uit te betalen in vijf jaarlijkse termijnen. Na zijn ontslag is echter onverschuldigd salaris doorbetaald tot november 2016, wat verweerder bij besluit van 14 maart 2017 terugvorderde.
Eiser maakte bezwaar tegen de terugvordering, stellende dat hij de doorbetaling niet had opgemerkt vanwege persoonlijke omstandigheden en dat verweerder de terugvordering had moeten matigen of achterwege laten. Ook stelde hij fiscaal nadeel te hebben geleden door niet correcte betaling van de loopbaanpremie.
De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was tot terugvordering op grond van artikel 116a van de Ambtenarenwet en dat eiser redelijkerwijs had kunnen weten dat hij onverschuldigd salaris ontving. Persoonlijke omstandigheden en het ontbreken van een medische verklaring konden niet leiden tot afzien van terugvordering. Ook was geen fiscaal nadeel concreet aangetoond. De terugvorderingstermijn van twee jaar was niet overschreden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.