Appellante, werkzaam als senior penitentiair inrichtingswerker, ontving SBF- en FPU-uitkeringen in verband met functioneel leeftijdsontslag (FLO). Door opschortingen van het FLO werden deze uitkeringen later onverschuldigd betaald. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is bevoegd tot terugvordering, niet de minister van Justitie en Veiligheid (J&V). De Raad stelde vast dat het besluit van de minister van J&V onbevoegd was, maar dit werd hersteld door een bekrachtigingsbesluit van de minister van BZK.
De Raad oordeelde dat terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen gebonden is aan termijnen en het rechtszekerheidsbeginsel. Voor de periode 1 april 2009 tot 1 april 2010 was de terugvorderingstermijn overschreden, waardoor terugvordering niet meer mogelijk was. Voor de periode 1 april 2010 tot 1 april 2011 was terugvordering wel tijdig en toegestaan, maar slechts tot het bedrag waarop appellante recht had na verrekening van neveninkomsten.
De Raad verwierp bezwaren van appellante tegen de berekening van neveninkomsten en kostenvergoeding. Uiteindelijk vernietigde de Raad het bestreden besluit en herroept het eerdere besluit, waardoor appellante geen vordering meer heeft en het bedrag niet hoeft te worden terugbetaald. De ministeries van J&V en BZK werden elk voor de helft veroordeeld in de proceskosten.