ECLI:NL:RBDHA:2021:11058

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 oktober 2021
Publicatiedatum
11 oktober 2021
Zaaknummer
NL21.12691
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 76 VwArt. 69 VwArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig nemen van besluit mvv en oplegging dwangsom

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Het primaire besluit tot afwijzing van de aanvraag dateert van 29 oktober 2018, waarna bezwaar werd gemaakt. De staatssecretaris had volgens de Vreemdelingenwet 2000 een beslistermijn, die door uitstel en verlenging was opgeschort, maar uiteindelijk is verstreken zonder dat een besluit is genomen.

Eiseres heeft de staatssecretaris rechtsgeldig in gebreke gesteld en vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de beslistermijn is overschreden. Verweerder heeft verzocht om een langere termijn vanwege corona-maatregelen, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. Daarom bepaalt de rechtbank dat binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet worden genomen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het griffierecht vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, binnen twee weken alsnog besluit nemen en dwangsom opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.12691

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Verweerder heeft op 31 augustus 2021 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijk gesteld. Daartegen kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Bij besluit van 29 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [referent],(referent) tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan eiseres afgewezen. Dit besluit is op dezelfde datum aan eiseres bekendgemaakt. Zij heeft op 21 november 2018 bezwaar gemaakt.
3. Verweerder diende op grond van artikel 76, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op het bezwaar te beslissen binnen negentien weken na het verstrijken van de termijn voor het maken van bezwaar. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw vier weken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 8 april 2019 diende te beslissen. Bij brief van 29 november 2018 heeft verweerder eiseres twee weken uitstel verleend voor het bekend maken van de gronden van bezwaar. Als gevolg hiervan is de beslistermijn even zolang opgeschort. . Daarnaast heeft verweerder meegedeeld dat op grond van artikel 7:10 van Pro de Awb de beslistermijn met zes weken verlengd wordt. Bij brief van 5 december 2018 heeft verweerder eiseres nogmaals twee weken uitstel verleend en - terecht - meegedeeld dat de beslistermijn hiermee is opgeschort tot (uiterlijk) 17 juni 2019.
4. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken. Op 1 september 2020 heeft eiseres verweerder rechtsgeldig in gebreke gesteld. Vervolgens zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiseres op 3 augustus 2021 dit beroep heeft ingesteld. Het beroep is kennelijk gegrond.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat, als het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of indien naleving van een wettelijk voorschrift daartoe noopt, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn stellen of een andere voorziening treffen.
6. Verweerder heeft zich in het verweerschrift van 31 augustus 2021 op het standpunt gesteld dat zich bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb voordoen. Verweerder zegt als gevolg van de corona-maatregelen die het werkproces van de IND in ernstige mate beïnvloeden, geen datum aan te kunnen geven waarop het besluit op het bezwaarschrift zou kunnen worden genomen. Verweerder verzoekt de rechtbank daarom een beslistermijn van zes weken op te leggen vanaf de bekendmaking van de uitspraak. Verweerder stelt dat gelet op de huidige omstandigheden deze termijn haalbaar is om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, zonder dat wordt ingeboet aan zorgvuldigheid.
7. De rechtbank ziet in de toelichting van verweerder geen aanleiding om een beslistermijn te bepalen zoals verweerder heeft gevraagd. Verweerder heeft in zijn verweerschrift namelijk niet geconcretiseerd op welke wijze de geldende coronamaatregelen de besluitvorming in de weg staan. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat sinds de datum van het verweerschrift meer dan een maand is verstreken. De rechtbank zal daarom overeenkomstig artikel 8:55, eerste lid, van de Awb bepalen dat verweerder binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar aan eiseres bekend moet maken.
8. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven, met een maximum van € 15.000.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 374 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op om binnen twee weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit aan eiseres bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 374 (driehonderdvierenzeventig euro);
  • bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 181 (honderdeenentachtig euro) aan haar moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.