ECLI:NL:RBDHA:2021:11065

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
11 oktober 2021
Zaaknummer
C/09/604031 / HA RK 20-544
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:32 BWArt. 10:100 lid 1 BWArt. 4 lid 4 RWN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling Nederlanderschap na erkenning kind uit polygaam huwelijk

Verzoekster, geboren in Marokko in 2002, werd op 1 oktober 2019 erkend door haar vader, die Nederlander is sinds 1996. De erkenning vond plaats binnen een polygaam huwelijk, waarbij de vader meerdere echtgenotes heeft. Op 13 maart 2020 bevestigde een DNA-rapport de biologische verwantschap tussen vader en verzoekster.

De IND betwistte het Nederlanderschap vanaf de geboorte vanwege het polygaam huwelijk, verwijzend naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad uit 2017 die erkenning kan worden geweigerd wegens strijd met de openbare orde. Echter, de erkenning van 2019 heeft volgens de Raad van State uit 2021 wel rechtsgevolg.

De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 4 lid 4 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) verzoekster het Nederlanderschap heeft verkregen door erkenning binnen de wettelijke termijn, ondanks het polygaam huwelijk. De erkenning is rechtsgeldig en de biologische band is aangetoond.

De rechtbank veroordeelt de Staat in de proceskosten en wijst het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap per 13 maart 2020 af, maar stelt vast dat verzoekster sinds 1 oktober 2019 Nederlander is.

Uitkomst: Verzoekster is sinds 1 oktober 2019 Nederlander door erkenning binnen een polygaam huwelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 20-544
Zaaknummer: C/09/604031
Datum beschikking: 5 oktober 2021

Beschikking op het op 9 december 2020 ingekomen verzoekschrift van:

[X] ,

verzoekster,
wonende te Marokko,
advocaat mr. C.A. Lucardie te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”,
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • de brief van 15 januari 2021 van de zijde van de IND;
  • de brief van 18 maart 2021 van de zijde van de IND;
  • de brief van 29 april 2021 van de zijde van de IND;
  • de brief van 3 juli 2021 van de zijde van verzoekster, houdende een aanvullend verzoek;
  • de conclusie van de officier van justitie van 15 juli 2021.
Zowel verzoekster als de IND en de officier van justitie hebben schriftelijk medegedeeld af te zien van een mondelinge behandeling.

Verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoekster met ingang van 13 maart 2020, een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.
De IND heeft verzocht vast te stellen dat verzoekster het Nederlanderschap op 1 oktober 2019 heeft verkregen.
De officier van justitie heeft bij voormelde conclusie medegedeeld zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.

Feiten

  • Verzoekster is op [geboortedatum 1] 2002 geboren te [geboorteplaats] , Marokko.
  • Op haar geboorteakte staat als vader vermeld [vader] , geboren op
  • De ouders van verzoekster zijn op [datum huwelijk] 1991 met elkaar gehuwd.
  • De vader is daarnaast sinds [datum huwelijk] 1983 gehuwd met [echtgenote 1] en sinds [datum huwelijk] 1967 met [echtgenote 2] .
  • Alle huwelijken van de vader duren nog voort.
  • De vader heeft op [datum] 1996 door naturalisatie het Nederlanderschap verkregen, blijkens het Koninklijk Besluit met nummer [nummer] .
  • De vader heeft verzoekster op 1 oktober 2019 ten overstaan van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente ’s-Gravenhage erkend.
  • Op 13 maart 2020 is er een deskundigenrapportage opgemaakt door Verilabs.

Beoordeling

Standpunten van partijen
Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij Nederlandse is geworden omdat zij op 1 oktober 2019 is erkend door haar vader. Nadien is ook op 13 maart 2020 via een DNA-rapport aangetoond dat zij afstamt van de vader. Er is dus een familierechtelijke band ontstaan tussen de vader en verzoekster op grond waarvan zij meent het Nederlanderschap te hebben verkregen.
De IND stelt vast dat verzoekster is geboren uit een polygaam huwelijk van de vader met de moeder. Volgens de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942 volgt dat indien een in het buitenland ontstane familierechtelijke betrekking voortvloeit uit een huwelijk waaraan erkenning zou moeten worden onthouden wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde in de zin van artikel 10:32 BW Pro, ook de erkenning van de uit dat huwelijk ontstane familierechtelijke betrekking afstuit op de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in artikel 10:100 lid Pro 1, onderdeel c, BW.
Verzoekster heeft daarom niet vanaf haar geboorte het Nederlanderschap verkregen via de vader. Volgens de IND heeft de erkenning door de vader van verzoekster, gelet op de uitspraak van de Raad van State van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:721 wel rechtsgevolg, zodat verzoekster alsnog op 1 oktober 2019 door deze erkenning het Nederlanderschap heeft verkregen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het Nederlanderschap wordt verkregen op de limitatief in de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) genoemde gronden. Artikel 4 lid 4 RWN Pro bepaalt dat de minderjarige vreemdeling, die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, door erkenning ook Nederlander wordt als de erkenner zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.
Ten tijde van de erkenning van verzoekster was de vader Nederlander. De erkenning is rechtsgeldig verricht en binnen een jaar nadien is een geldig rapport van DNA overgelegd waaruit blijkt van de biologische verwantschap tussen de vader en verzoekster. In navolging van voormelde uitspraak van de Raad van State is de rechtbank van oordeel dat het bestaan van het polygame huwelijk van de ouders van verzoeker niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van de erkenning. Dit maakt dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 4 lid 4 RWN Pro zodat verzoekster met ingang van 1 oktober 2019 het Nederlanderschap via de vader heeft verkregen.
Proceskosten
De rechtbank ziet aanleiding de IND als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de proceskosten van verzoekster en zal het verzoek daartoe toewijzen als volgt.
De rechtbank ziet aanleiding aan te knopen bij het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, zoals dat geldt vanaf 1 februari 2021. Het salaris van de advocaat wordt met inachtneming van het liquidatietarief tot op heden begroot op € 563,- (1 punt à tarief II voor het verzoekschrift).

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster sinds 1 oktober 2019 de Nederlandse nationaliteit bezit;
veroordeelt de Staat in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van verzoekster begroot op € 304,-- aan griffierecht en € 563,- aan salaris advocaat;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer, rechter, bijgestaan door mr. I.M. Talstra - Touwen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2021.