ECLI:NL:RBDHA:2021:11076
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen schending hoorplicht bij vermindering verzuimboete naar nihil in belastingzaak
Eisers, erven van een overleden persoon, maakten bezwaar tegen een verzuimboete die was opgelegd bij een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2014. De verzuimboete was opgelegd naar aanleiding van lijfrente-uitkeringen die na het overlijden van de erflaatster waren gedaan en waarover loonheffing was ingehouden. Eisers hadden bezwaar gemaakt tegen de boete en tevens een verzoek tot terugbetaling van ingehouden loonheffing ingediend.
Verweerder heeft de verzuimboete uiteindelijk verminderd naar nihil en een kostenvergoeding toegekend aan eisers. Eisers stelden dat zij in bezwaar gehoord hadden moeten worden en dat de hoorplicht was geschonden, waarna zij beroep instelden tegen de beslissingen.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek om proceskostenvergoeding een afzonderlijk verzoek betreft en niet tot het bezwaar tegen de aanslag behoort. Nu de verzuimboete is verminderd naar nihil, mocht verweerder op grond van artikel 7:3, letter e van de Algemene wet bestuursrecht afzien van het horen. Er is daarom geen schending van de hoorplicht. De beroepen worden ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt afgewezen.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard omdat geen schending van de hoorplicht is vastgesteld en de verzuimboete is verminderd naar nihil.