ECLI:NL:RBDHA:2021:11076

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 oktober 2021
Publicatiedatum
11 oktober 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 7373 en AWB-21_2275
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbBesluit aanwijzing massaal bezwaar BLKB 2015/903M
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen schending hoorplicht bij vermindering verzuimboete naar nihil in belastingzaak

Eisers, erven van een overleden persoon, maakten bezwaar tegen een verzuimboete die was opgelegd bij een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2014. De verzuimboete was opgelegd naar aanleiding van lijfrente-uitkeringen die na het overlijden van de erflaatster waren gedaan en waarover loonheffing was ingehouden. Eisers hadden bezwaar gemaakt tegen de boete en tevens een verzoek tot terugbetaling van ingehouden loonheffing ingediend.

Verweerder heeft de verzuimboete uiteindelijk verminderd naar nihil en een kostenvergoeding toegekend aan eisers. Eisers stelden dat zij in bezwaar gehoord hadden moeten worden en dat de hoorplicht was geschonden, waarna zij beroep instelden tegen de beslissingen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek om proceskostenvergoeding een afzonderlijk verzoek betreft en niet tot het bezwaar tegen de aanslag behoort. Nu de verzuimboete is verminderd naar nihil, mocht verweerder op grond van artikel 7:3, letter e van de Algemene wet bestuursrecht afzien van het horen. Er is daarom geen schending van de hoorplicht. De beroepen worden ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt afgewezen.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard omdat geen schending van de hoorplicht is vastgesteld en de verzuimboete is verminderd naar nihil.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 20/7373 en SGR 21/2275

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

13 oktober 2021 in de zaken tussen

de erven [eisers] , te [woonplaats] , eisers(gemachtigde: J.L.M. Reijnen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden beslissingen

De beslissingen van verweerder van 12 oktober 2020 en 2 februari 2021 inzake de kostenvergoeding in bezwaar en de bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegde verzuimboete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2021. Namens eisers is de gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. [A] en mr. [B] .

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. [erflaatster] (erflaatster) is op [datum] 2014 overleden. Na het overlijden zijn door Delta Lloyd Levensverzekeringen NV (Delta Lloyd) nog tot eind 2015 lijfrente-uitkeringen aan erflaatster gedaan. Op deze uitkeringen zijn loonheffing en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet ingehouden. De teveel uitbetaalde lijfrente-uitkeringen zijn vervolgens door eisers aan Delta Lloyd terugbetaald.
2. Op 11 augustus 2017 hebben eisers aangifte gedaan over het jaar 2014 naar een verzamelinkomen van € 21.193.
3. De aanslag IB/PVV 2014 is op 16 augustus 2018 overeenkomstig de aangifte opgelegd. Bij de aanslag heeft verweerder een bedrag van € 288 aan belastingrente vergoed en een verzuimboete opgelegd van € 344.
4. Op 27 september 2018 hebben eisers pro forma bezwaar aangetekend tegen de aanslag IB/PVV 2014. Bij brief van 5 december 2018 hebben eisers de bezwaargronden aangevuld. De gronden hebben betrekking op de opgelegde verzuimboete en de box 3 heffing. In dit schrijven hebben eisers verweerder tevens verzocht de over de aan Delta Lloyd terugbetaalde uitkeringen ingehouden loonheffing terug te betalen (verzoek om terugbetaling). Eisers hebben verweerder daarnaast verzocht om te worden gehoord en om een kostenvergoeding.
5. Bij brief van 22 januari 2019 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat:
- De verzuimboete is verlaagd tot nihil en dat eisers over enkele weken de
verminderingsbeschikking tegemoet kunnen zien;
- Het bezwaar tegen de box 3 heffing wordt meegenomen in de
massaal bezwaarprocedure zoals beschreven in het Besluit aanwijzing massaal bezwaar
van 26 juni 2015 [1] ;
- Het bezwaarschrift voor wat betreft het verzoek om terugbetaling ter behandeling wordt
overgedragen aan de afdeling Loonbelasting.
6. Op 19 juli 2019 is ten aanzien van de box 3 heffing een collectieve uitspraak op bezwaar gedaan en zijn de bezwaarschriften waarvoor de aanwijzing geldt afgewezen. [2]
7. Verweerder heeft bij verminderingsbeschikking van 6 februari 2019 de verzuimboete verminderd naar nihil.
8. Bij besluit van 12 oktober 2020 heeft verweerder aan eisers een kostenvergoeding toegekend van € 130,50 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en een wegingsfactor 0,5).
9. Bij uitspraak op bezwaar van 2 februari 2021 is het bezwaar van eisers ten aanzien van de verzuimboete, gegrond verklaard.
10. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de in 8 en 9 vermelde beslissingen.
11. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek om terugbetaling en de bezwaren met betrekking tot de box 3 heffing geen onderdeel uitmaken van de bestreden beslissingen. Over de betreffende onderwerpen zijn afzonderlijke procedures gevoerd.
12. In geschil is of de hoorplicht is geschonden. Eisers betogen dat zij in bezwaar gehoord hadden moeten worden en verzoeken daarom om terugverwijzing van de zaken naar verweerder.
13. Met de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2021 is de verzuimboete verminderd naar nihil. Hiermee is aan het bezwaar van eisers tegemoetgekomen, zodat verweerder op grond van artikel 7:3, letter e van de Algemene wet bestuursrecht heeft mogen afzien van het horen. Het verzoek om proceskostenvergoeding heeft verweerder bij besluit van
12 oktober 2020 ingewilligd. Dit verzoek betreft een afzonderlijk verzoek dat niet kan worden beschouwd als behorend tot het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2014, ter zake waarvan verweerder eisers diende te horen. Van schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
13 oktober 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.

Voetnoten

1.Besluit aanwijzing massaal bezwaar BLKB 2015/903M, Stcrt. 30 juni 2015, nr. 18400
2.Stcrt. 2019, 40085