ECLI:NL:RBDHA:2021:11116
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op artikel 64 Vreemdelingenwet wegens onvoldoende bewijs ontoegankelijkheid medische zorg in India
Eiser, een Indiase staatsburger met een depressieve stoornis, verzocht om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, dat bescherming biedt bij medische onmogelijkheid tot terugkeer. Verweerder wees dit verzoek af op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), dat stelde dat noodzakelijke medische zorg in India beschikbaar is en dat eiser in staat is te reizen.
Eiser voerde aan dat door corona-gerelateerde reisbeperkingen en financiële omstandigheden de medische zorg in India feitelijk niet toegankelijk is. De rechtbank oordeelde dat tijdelijke reisbeperkingen niet de rechtmatigheid van het besluit beïnvloeden en dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat de benodigde zorg in India niet toegankelijk is. De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin is bepaald dat de bewijslast hiervoor bij de vreemdeling ligt.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de medische behandeling financieel niet kan bekostigen of geen hulp kan krijgen van charitatieve instellingen. Ook werd het beroep op schending van de hoorplicht verworpen. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.