ECLI:NL:RBDHA:2021:11172
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid na stalkingincident
Verzoekster had toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, welke door de korpschef van politie werd ingetrokken nadat bekend werd dat tegen haar aangifte van stalking was gedaan en strafvervolging was ingesteld. De Officier van Justitie had de zaak geseponeerd om beleidsmatige redenen, maar de korpschef vond dat verzoekster rechtsregels had overtreden die een ernstige aantasting van de rechtsorde vormden.
Verzoekster voerde aan dat het sepot onvoldoende was voor intrekking en dat de gedragingen zich in de privésfeer hadden afgespeeld, waardoor deze niet meegewogen mochten worden. De rechtbank oordeelde dat de korpschef beoordelingsruimte heeft om de betrouwbaarheid te toetsen en dat incidenten in de privésfeer kunnen meewegen als deze zich niet verdragen met beveiligingswerkzaamheden.
De rechtbank stelde vast dat de korpschef het maatschappelijk belang zwaarder mocht laten wegen dan het persoonlijk belang van verzoekster en dat de waarschuwing vooraf was gegeven. De intrekking was daarom gerechtvaardigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.