ECLI:NL:RBDHA:2021:1131
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij Dublin-overdracht
Eiser is op 20 januari 2021 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van een inkomende Dublin-overdracht. De maatregel werd opgelegd met het oog op het vaststellen van identiteit en beoordeling van de asielaanvraag. Tijdens het onderzoek ter zitting, twintig dagen na inbewaringstelling, bleek dat verweerder geen enkele handeling had verricht om de asielaanvraag in behandeling te nemen.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld, ondanks het ingrijpende karakter van vrijheidsontneming. Verweerder kon geen concrete omstandigheden aandragen die het tijdsverloop verklaarden of rechtvaardigden. De rechtbank verwierp de stelling dat wettelijke termijnen een blanco volmacht geven om niet tijdig te handelen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder steeds zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet handelen in elke fase van de detentie. Gezien de eerdere asielprocedure van eiser in vrijheid die beduidend voortvarender verliep, achtte de rechtbank het onacceptabel dat de procedure tijdens detentie niet minstens zo snel verliep.
De maatregel werd daarom ambtshalve onrechtmatig verklaard en onmiddellijk opgeheven. Eiser werd onmiddellijk in vrijheid gesteld en de Staat werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.675,- en proceskosten van €534,-. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt onmiddellijk opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid, eiser wordt in vrijheid gesteld en ontvangt schadevergoeding.