ECLI:NL:RVS:2020:989
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- G.M.H. Hoogvliet
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over voortvarendheid uitzetting vreemdeling in bewaring
De vreemdeling werd op 16 augustus 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld na overdracht door Belgische autoriteiten. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend wegens onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris bij de uitzetting.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de bewaring niet gepland was, waardoor minder voortvarendheid vereist zou zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat ook bij bewaring na geplande overdracht voortvarendheid vereist is, maar dat een eerste daadwerkelijke handeling op dag zes voldoende is, tenzij bijzondere omstandigheden anders vereisen.
In deze zaak waren geen bijzondere omstandigheden gesteld en was de staatssecretaris dus voldoende voortvarend. De grief van de staatssecretaris slaagde, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard.
Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ten bedrage van €1.050,00 voor rechtsbijstand door een derde partij.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.