Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[Naam 1], eiser, en
[Naam 3], [Naam 4]en
[Naam 5],
Rechtbank Den Haag
Eisers, burgers van Timor Leste, vroegen asiel aan in Nederland met het argument dat zij vanwege negatieve belangstelling van westelijke milities en traumatische gebeurtenissen hun land moesten ontvluchten. Zij stelden onder meer dat zij werden lastiggevallen en dat er sprake was van verkrachting.
De staatssecretaris wees de aanvragen af omdat hij het niet aannemelijk achtte dat eisers vervolging of ernstige schade te vrezen hadden. De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende bewijs leverden voor hun beweringen, waaronder het ontbreken van een causaal verband tussen traumatische gebeurtenissen en vertrek binnen zes maanden. Ook was niet aannemelijk dat zij na 2013 nog in negatieve belangstelling stonden.
De rechtbank concludeerde dat het beroep op artikel 18 van Pro de Procedurerichtlijn faalde en dat medisch onderzoek niet noodzakelijk was. Het verzoek om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro werd eveneens afgewezen. De beroepen werden ongegrond verklaard en de asielaanvragen definitief afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de asielberoepen ongegrond wegens onvoldoende bewijs en niet tijdig vertrek uit het land van herkomst.