ECLI:NL:RBDHA:2021:11317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 oktober 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
NL21.9664
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 30b Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag kennelijk ongegrond niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening beroepsgronden

De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. De eiser heeft deze gronden niet in het oorspronkelijke beroepschrift vermeld.

De rechtbank heeft de eiser een hersteltermijn gegeven om alsnog de beroepsgronden in te dienen. Deze termijn is verstreken zonder dat de gronden tijdig zijn ontvangen; de gronden kwamen pas na de termijn binnen. De gemachtigde van eiser gaf aan de notificatie van de rechtbank niet te hebben ontvangen, maar een technisch onderzoek door IVO Rechtspraak toonde aan dat de rechtbank de notificatie correct en tijdig heeft verzonden.

De rechtbank oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is, omdat de eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet ontvangen van de notificatie aan de zijde van de rechtbank lag. Het beroep op het arrest Bahaddar van het EHRM faalt wegens gebrek aan concrete onderbouwing. De rechtbank wijst erop dat een nieuwe asielaanvraag mogelijk is indien er een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bestaat. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.9664

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2021 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond [1] .
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank - na een herstelmogelijkheid - het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank laat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege indien het niet aan eiser te verwijten valt dat de beroepsgronden niet of niet tijdig zijn ingediend.
3. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser bij bericht van 24 juni 2021 verzocht om binnen vijf werkdagen na de dag van verzending van het bericht, dat wil zeggen uiterlijk op 1 juli 2021, dit verzuim te herstellen. Eiser heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Van eiser zijn op 2 juli 2021 de beroepsgronden ontvangen. De gemachtigde van eiser heeft hiervoor als reden opgegeven dat hij geen notificatie heeft ontvangen van het bericht van de rechtbank van 24 juni 2021 en dat hij het bericht eerst later bij toeval heeft gezien.
4. In het Tijdelijk procesreglement Asiel- en Bewaringszaken 2015 is geregeld dat de rechtbank van elke wijziging in het procesdossier een notificatie per e-mailbericht zendt aan de partij die een e-mailadres heeft vermeld in Mijn Rechtspraak. Op verzoek van de gemachtigde van eiser heeft de rechtbank daarom een technisch onderzoek laten verrichten door IVO Rechtspraak om na te gaan of ook in dit geval een notificatie is verzonden. Uit dit onderzoek van 26 augustus 2021 blijkt dat vanuit de griffie op 24 juni 2021 om 15:38 uur een notificatie is gestuurd aan de gemachtigde van eiser van het bericht waarbij aan eiser een termijn wordt gesteld voor het kenbaar maken van de beroepsgronden. Verder blijkt hieruit dat er op 24 en 25 juni 2021 geen relevante verstoringen en/of onderhoudsmeldingen zijn geweest. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank aan haar voormelde verplichting voldaan.
5. De rechtbank volgt niet de stelling van de gemachtigde van eiser dat hij de notificatie desondanks niet heeft ontvangen en dat om die reden niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege moet blijven. Ter onderbouwing hiervan heeft de gemachtigde uitsluitend gewezen op serverproblemen van zijn kantoor in oktober 2021. Daargelaten de vraag voor wiens risico dergelijke problemen moeten zijn, stelt de rechtbank vast dat genoemde problemen niet zien op de periode die hier aan de orde is. De suggestie van de gemachtigde dat mogelijk in juni 2021 al sprake was van deze serverproblemen, heeft hij niet onderbouwd.
6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Het beroep van eiser op het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland slaagt niet, omdat de gemachtigde dit beroep niet concreet heeft onderbouwd. Voor zover eiser meent dat hij bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM kan hij hiervoor een nieuwe asielaanvraag indienen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Paulus, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000