3.4.De beoordeling van de tenlastelegging
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft op de terechtzitting van 7 oktober 2021 verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft geschud. Hij heeft verklaard dat hij in de ochtend van 1 november 2020 op zolder het videospel Hearts of Iron IV op zijn PC speelde. Tijdens het spelen hield hij [slachtoffer 1] op zijn arm. Toen begon [slachtoffer 1] te huilen. In een poging haar te vermaken, heeft hij een spuugdoekje voor haar gezichtje bewogen. Per ongeluk liet hij het spuugdoekje vallen en toen hij het spuugdoekje weer wilde oprapen, veranderde de toon van het gehuil van [slachtoffer 1] en werd het gehuil luider. De verdachte vermoedt dat [slachtoffer 1] wellicht haar hoofdje heeft gestoten tegen het bureau toen hij voorover bukte, maar kan dat niet met zekerheid zeggen.
De verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij zich slechts flarden kan herinneren van wat er daarna is gebeurd. Hij herinnert zich dat hij [slachtoffer 1] heeft geschud met grote bewegingen van zijn armen. Dat ging vanuit een gestrekte houding van zijn armen tot aan het sluiten van zijn ellebogen. Hij zag aan [slachtoffer 1] hoofdje dat haar kin de borst raakte en dat haar hoofdje verder naar achter ging dan zij zelf zou kunnen doen. Dit schudden heeft hij meermalen gedaan, met snelheid en met geweld. Het gehuil ging door tot dat [slachtoffer 1] geen geluid meer kon maken en alleen nog naar adem snakte. De verdachte zag dat [slachtoffer 1] rood aanliep en dat haar oogjes dicht gingen. Daarna heeft hij haar naar haar slaapkamer een verdieping lager gebracht en [slachtoffer 1] in haar bedje gelegd. Hij weet niet precies hoe lang. Op enig moment heeft hij [slachtoffer 1] weer uit haar bed gehaald, heeft hij haar in de kinderwagen gezet en is hij met haar de hond gaan uitlaten. Pas bij thuiskomst van die wandeling heeft de verdachte 112 gebeld.
De verdachte heeft ter terechtzitting de mogelijkheid geopperd dat hij [slachtoffer 1] in de kinderkamer opnieuw heeft geschud. De verdachte gaf daarbij aan, dat hij zich dit niet echt duidelijk kan herinneren, maar meer als mogelijke verklaring ziet voor het letsel achter op het hoofdje van [slachtoffer 1] . Nu deze mogelijkheid niet door enig ander bewijs in het dossier wordt ondersteund, kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat dit tweede moment van schudden heeft plaatsgevonden.
Medisch onderzoek naar het letsel
Verschillende deskundigen hebben onderzoek gedaan naar het letsel en de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] .
Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] die op 4 november 2020 heeft plaatsgevonden, is onder meer het volgende letsel vastgesteld:
- Bloedingen onder het harde hersenvlies: bij het neuropathologisch onderzoek van de hersenen en het ruggenmerg werden tekenen van traumatische axonale beschadiging aangetroffen (schade aan zenuwuitlopers) en een subduraal hematoom (bloeduitstorting onder het harde hersenvlies). De ouderdom van het hematoom werd door de deskundige geschat op circa één dag.
- Netvliesbloedingen en bloedingen bij de oogzenuwen: bij het oogpathologisch onderzoek werden bij de oogbollen links en rechts retinabloedingen (netvliesbloedingen) en bloeduitstortingen rondom de oogzenuw aangetroffen. Volgens de deskundige kunnen deze bevindingen passen bij een ‘shaken en impact trauma’ mits andere oorzaken voor bloedingen op basis van klinische gronden zijn uitgesloten.
In het pathologische rapport van 12 april 2021 geeft deskundige D.J. Rijken, forensisch arts en patholoog werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut, zijn pathologische bevindingen weer. Daarbij stelt hij onder meer vast dat [slachtoffer 1] een normaal ontwikkelde baby was zonder aangeboren afwijkingen. D.J. Rijken concludeert dat het ontstaan van een reanimatiebehoeftige toestand en het uiteindelijke overlijden verklaard kan worden door de gevolgen van ernstig hoofdletsel, ontstaan door stomp botsende krachtinwerking in combinatie met dynamische krachtinwerking (passend bij schudtrauma ofwel repeterend acceleratie-deceleratie trauma).
Op basis van nazicht van de medische documentatie, uit- en inwendige schouwing en aanvullende onderzoeken (radiologisch, lichtmicroscopisch, neuropathologisch, microbiologisch en metabool onderzoek) waren er ook geen ziekelijke afwijkingen die het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand kunnen verklaren of die hiervoor van
betekenis kunnen zijn geweest. Gezien de (combinatie van de) sectiebevindingen kan een ziekelijke en/of geboorte-gerelateerde oorzaak voor de traumatische letsels volgens D.J. Rijken worden uitgesloten.
In de toelichting op het sectierapport van 11 mei 2021, geven D.J. Rijken en W.A. Karst (Forensisch arts KNMG) nadere duiding aan het letsel dat [slachtoffer 1] heeft opgelopen. Zij lichten onder meer toe dat een deel van het aangetroffen letsel (de gescheurde ankervenen) kan ontstaan als sprake is van herhaalde voor-achterwaartse (en waarschijnlijk ook rotatoire) bewegingen van het hoofd. Een dergelijk mechanisme kan optreden bij heftig repeterend acceleratie-deceleratie trauma (zoals bij een schudincident) of bij forse impact (botsend geweld op of tegen het hoofd), of bij de combinatie van beide. De deskundigen schrijven verder dat wordt aangenomen dat een aanmerkelijke kracht (door een puber/volwassene), frequentie (circa twee tot vijf bewegingen per seconde) en duur (vanaf circa vijf seconden) vereist is als schudden (zonder impact) de oorzaak is van ernstig hersenletsel.
Oordeel van de rechtbank
Met kracht schudden
Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij [slachtoffer 1] heeft geschud. De rechtbank stelt voorts vast dat dit schudden niet zachtjes was of van korte duur. De verdachte heeft ter terechtzitting immers verklaard dat hij [slachtoffer 1] op 1 november 2020 meermalen met snelheid heeft geschud totdat zij geen geluid meer maakte en enkel nog naar adem snakte en dat dat niet zachtjes was, maar dat er geweld achter zat. Ook uit de hierboven aangehaalde toelichting op het sectierapport van 11 mei 2021, blijkt dat, gezien de ernst van het vastgestelde letsel van [slachtoffer 1] , sprake moet zijn geweest van een aanmerkelijke kracht, frequentie en duur van het schudden.
Stomp botsend geweld uitoefenen
De rechtbank interpreteert de uitkomsten van het medisch onderzoek naar de doodsoorzaak van [slachtoffer 1] zo, dat het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel kan worden verklaard door stomp botsende krachtinwerking
in combinatie metdynamische krachtinwerking. Dit past volgens de deskundigen bij schudtrauma, ofwel repeterend acceleratie-deceleratie trauma. De rechtbank ziet geen aanleiding de deskundigen in hun conclusie omtrent het ontstaan van het bij [slachtoffer 1] toegebrachte letsel niet te volgen. De rechtbank legt deze conclusie dan ook – voor zover voor het bewijs gebruikt – mede aan haar beslissing ten grondslag.
Uit het pathologisch rapport van 12 april 2021 blijkt dat de bevindingen in de schedelholte en rond de oogzenuwen zijn ontstaan door stomp botsende krachtinwerking op het hoofd in de vorm van hoogenergetisch trauma (zoals een zwaar verkeersongeval of een val van grote hoogte). Daarbij merkt de deskundige op dat simpele 'huis-, tuin- en keukenongevallen' (geringe ongelukken), zoals een val van een bank, onvoldoende zijn om het vastgestelde letselbeeld te verklaren. Ook verklaart de deskundige dat kinderen na het oplopen van een dergelijk trauma, dat [slachtoffer 1] uiteindelijk fataal is geworden, niet meer ‘normaal’ kunnen functioneren. Aangezien [slachtoffer 1] nog normaal functioneerde op ochtend van 1 november 2020, voordat haar moeder het huis verliet, kan het niet anders zijn dan dat het stomp botsend geweld is toegebracht door de verdachte toen hij haar schudde. De stomp botsende krachtinwerking heeft, in combinatie met de dynamische krachtinwerking van het schudden, geleid tot de uitzichtloze situatie waarin [slachtoffer 1] kwam te verkeren en als gevolg waarvan zij is overleden.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt op basis van het bovenstaande vast dat het bij [slachtoffer 1] geconstateerde hersenletsel waaraan zij is overleden is ontstaan door een niet-accidenteel trauma (oftewel toegebracht letsel), namelijk door het met kracht heen en weer schudden én stompbotsend geweld op het hoofd uitoefenen van [slachtoffer 1] door de verdachte op 1 november 2020.
Opzet
De vraag is dan of kan worden bewezen verklaard dat de verdacht opzet had op de dood van [slachtoffer 1] .
Volgens vaste jurisprudentie is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval de dood van [slachtoffer 1] , aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.
Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.
De kans dat een baby van negen maanden oud als gevolg van het met kracht heen en weer schudden dan wel door stomp botsend geweld uitoefenen dan wel door een combinatie van beiden komt te overlijden, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. De verdachte heeft bovendien ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat het schudden van een baby gevaarlijk is.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het schudden van [slachtoffer 1] door de verdachte – met snelheid en geweld, zoals hij zelf heeft verklaard - naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de dood van [slachtoffer 1] , dat het niet anders kan zijn dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer 1] heeft aanvaard. Daarmee is er (minst genomen) sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] .