ECLI:NL:RBDHA:2021:11541
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument wegens ontbreken nieuwe feiten bij schijnrelatie
Eiser, een Indiase nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument op grond van artikel 9 Vreemdelingenwet Pro, waarbij hij verblijf bij zijn partner beoogde. De aanvraag werd afgewezen omdat eerder was vastgesteld dat sprake was van een schijnrelatie. Verweerder stelde dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden.
Eiser voerde aan dat de overgelegde bewijsstukken, waaronder foto's, correspondentie en medische documenten, wel degelijk een oprechte relatie aantonen en dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht. Ook stelde hij dat het fair-play beginsel was geschonden omdat verweerder geen verweerschrift had ingediend.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was een verweerschrift in te dienen en dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn standpunten toe te lichten. De rechtbank stelde vast dat de overgelegde stukken geen nieuw licht wierpen op de oprechtheid van de relatie en dat de eerdere vaststelling van een schijnrelatie onverminderd van kracht bleef.
Verder wees de rechtbank erop dat het inreisverbod niet onderwerp van deze procedure was en dat daarvoor een aparte aanvraag moet worden ingediend. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.