ECLI:NL:RBDHA:2021:11554
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning na beëindiging relatie als gezinslid
Eiseres, met de Surinaamse nationaliteit, had sinds 18 augustus 2017 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid bij haar partner. Verweerder trok deze vergunning per 11 januari 2020 in vanwege beëindiging van de relatie. Eiseres betwistte dit en stelde dat de relatie op dat moment nog intact was en dat de intrekking te vroeg was.
De rechtbank stelde vast dat het geschil zich richtte op het moment waarop de relatie als verbroken moet worden beschouwd. Verweerder baseerde zich op meldingen van de partner van eiseres waarin de relatie werd beëindigd, en op telefonisch contact waarin dit werd bevestigd, ondanks dat eiseres nog bij hem woonde.
De rechtbank oordeelde dat de enkele stelling van eiseres dat de relatie was hersteld en dat zij feitelijk samenwoonden onvoldoende was om de intrekking te weerleggen. Jurisprudentie bevestigt dat samenwonen alleen niet volstaat om aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning te blijven voldoen.
Verder overwoog de rechtbank dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het horen van eiseres in bezwaar achterwege kon blijven gezien de omstandigheden en de motivering van het besluit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft gehandhaafd.