ECLI:NL:RVS:2014:2643

Raad van State

Datum uitspraak
8 juli 2014
Publicatiedatum
16 juli 2014
Zaaknummer
201309464/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling beëindiging duurzame relatie voor intrekking verblijfsvergunning

De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag, die de intrekking van de verblijfsvergunning van een vreemdeling met terugwerkende kracht onterecht achtte. De minister had op 30 juli 2012 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2009 en de ingangsdatum van de vergunning voor voortgezet verblijf.

De rechtbank oordeelde dat de duurzame en exclusieve relatie tussen de vreemdeling en de referent pas in maart 2010 was beëindigd, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. De staatssecretaris stelde echter dat de relatie al op 10 oktober 2009 was beëindigd, omdat de referent toen had aangegeven een relatie met een ander te willen voortzetten.

De Raad van State stelt vast dat de verklaringen van partijen bevestigen dat de referent op 10 oktober 2009 aan de vreemdeling heeft meegedeeld een andere relatie te hebben. Het feit dat zij tot maart 2010 samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden, verandert hier niets aan, omdat volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 alleen exclusieve relaties gelijkgesteld kunnen worden met een huwelijk voor verblijfsrechtelijke doeleinden.

De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is terecht.

Uitspraak

201309464/1/V2.
Datum uitspraak: 8 juli 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 september 2013 in zaak nr. 13/1574 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken.
Bij besluit van 20 december 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 30 juli 2012 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in de grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij partner' met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2009 en de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'voortgezet verblijf' met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van die vergunning heeft ingetrokken. Voor deze overweging heeft de rechtbank, volgens de staatssecretaris, ten onrechte redengevend geacht dat de duurzame en exclusieve relatie tussen de vreemdeling en de referent eerst in maart 2010, nadat de vreemdeling had besloten te verhuizen, is beëindigd. De staatssecretaris voert aan dat de duurzame en exclusieve relatie reeds op 10 oktober 2009 is beëindigd, aangezien de referent op dat moment aan de vreemdeling heeft verteld dat hij met een andere partner verder wilde gaan en een toekomst wilde opbouwen.
1.1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de duurzame en exclusieve relatie tussen de referent en de vreemdeling op 10 oktober 2009 is beëindigd, reeds omdat zij beiden hebben verklaard dat de referent op die datum aan de vreemdeling heeft verteld dat hij een relatie onderhield met een andere vrouw en met die andere vrouw verder wilde. Dat de referent zich, aldus de vreemdeling, nog bezinde op zijn nieuwe relatie en dat de referent en de vreemdeling ook na 10 oktober 2009, tot maart 2010, hebben samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De strekking van paragraaf B2/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze gold ten tijde van belang, inzake gezinsvorming en gezinshereniging, is dat alleen relaties die op één lijn zijn te stellen met een huwelijk grondslag bieden voor toelating, hetgeen betekent dat samenwonen zonder dat de relatie exclusief is, niet voldoende is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning.
1.2. Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf bij partner' ten onrechte met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2009 heeft ingetrokken.
Reeds hierom heeft de rechtbank voorts ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'voortgezet verblijf' ten onrechte heeft ingetrokken. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt immers dat de vreemdeling slechts tot 10 oktober 2009, en dus niet gedurende ten minste drie jaren, op grond van haar relatie een verblijfsvergunning heeft gehad.
De grieven slagen.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gezien het onder 1.1. en 1.2. overwogene, het beroep alsnog ongegrond verklaren.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 17 september 2013 in zaak nr. 13/1574;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Yildiz
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2014
594-681.