ECLI:NL:RBDHA:2021:11624

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 augustus 2021
Publicatiedatum
25 oktober 2021
Zaaknummer
AWB - 19_8023
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2 WaboArt. 4:11 APV Westland 2016
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen kapvergunning en herplantplicht voor 94 bomen nabij Westland afgewezen

Het college van burgemeester en wethouders van Westland verleende een omgevingsvergunning voor het kappen van 94 bomen op een perceel nabij Westland, waarbij een herplantplicht werd opgelegd in de vorm van een bijdrage van €17.172 aan het herplantfonds. Eisers stelden dat de bijdrage te laag was omdat onderhoudskosten van €45.000 niet waren meegenomen en dat de bomen op dezelfde locatie herplant moesten worden.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de vergunning voor het kappen van de bomen niet ontvankelijk was voor zover het gericht was op het voorkomen van de kap, omdat de bomen reeds waren gekapt. Wel was er procesbelang voor het beroep tegen de herplantplicht. De rechtbank vond de vastgestelde waarde van €17.172 door een groendeskundige betrouwbaar en wees het betoog over de onderhoudskosten af, omdat de APV alleen de monetaire waarde van de bomen zelf als maatstaf hanteert.

Verder overwoog de rechtbank dat herplanting plaats moet vinden in de onmiddellijke omgeving van de gekapte bomen, wat door verweerder werd bevestigd. De toezegging om met omwonenden in gesprek te gaan over de herplantlocatie werd eveneens meegewogen. Gronden tegen de bouw van woningen en het bestemmingsplan vielen buiten het geschil. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de kapvergunning en de herplantplicht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/8023

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2021 in de zaak tussen

[eisers] e.a., te [woonplaats] , eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: M.C. Teng).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verleend.
Bij besluit van 25 november 2019 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2021. [eisers] en [A] zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij de besluiten heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van vierennegentig bomen op het perceel [perceel] nabij [huisnummer] te [plaats] . Verweerder heeft daarbij op grond van artikel 4:11, zesde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland 2016 (APV) een herplantplicht opgelegd in de vorm van een te storten bijdrage van € 17.172 in het herplantfonds van de gemeente Westland. De bomen zijn inmiddels gekapt.
2. Eisers betogen dat verweerder de bijdrage in het herplantfonds te laag heeft vastgesteld. Volgens eisers heeft verweerder de afgelopen 15 jaar geen enkel onderhoud aan de gekapte bomen gepleegd. Eisers berekenen dat verweerder hiermee € 45.000,- aan onderhoudskosten heeft uitgespaard. Volgens eisers moet dit bedrag ook worden gestort in het herplantfonds. Verder stellen eisers zich op het standpunt dat de bomen op het perceel [perceel] nabij [huisnummer] te [plaats] herplant moeten worden.
3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan procesbelang in beginsel niet worden aangenomen indien het beroep een vergunning betreft voor een eenmalige activiteit die reeds ten uitvoer is gelegd. [1] Indien sprake is van een kapvergunning en de bomen reeds zijn gekapt, kan met het beroep niet meer worden bereikt hetgeen wordt beoogd, namelijk het voorkomen van de kap van de bomen dan wel bescherming van de natuurwaarden. Volgens eveneens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan dit evenwel anders zijn indien het gestelde belang bestaat uit het verkrijgen van een schadevergoeding of het opnemen van vergunningvoorschriften. Procesbelang bestaat in geval van een kapvergunning bijvoorbeeld indien het beroep mede ziet op de herplant van bomen.
3.1.
Nu de bomen al zijn gekapt, kan in zoverre met het beroep niet meer worden bereikt wat eisers beoogden, te weten het verhinderen van de kap. De rechtbank overweegt dat eisers ook opkomen tegen de herplantplicht, zodat in zoverre nog procesbelang bestaat.
3.2.
De grond van eisers dat de bijdrage in het herplantfonds € 45.000,- meer zou moeten bedragen, slaagt niet. Een groendeskundige heeft conform het rekenmodel van de Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen vastgesteld dat de monetaire waarde van de bomen € 17.172,- bedraagt. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan deze vastgestelde waarde. Het betoog dat de uitgespaarde onderhoudskosten ook moeten worden gestort in het herplantfonds slaagt niet, omdat op grond van artikel 4.11, zesde lid, van de APV alleen gekeken wordt naar de monetaire waarde van de bomen zelf.
3.3.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag waar de bomen herplant moeten worden dat op grond van artikel 4.11, zesde lid, van de APV herplanting moet plaatsvinden in de onmiddellijke omgeving van de gekapte bomen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hieraan zal worden voldaan doordat de bomen zowel in de bestaande als in de nieuw te bouwen wijk zullen worden geplaatst. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verweerder heeft daarnaast ter zitting toegezegd bereid te zijn om met de omwonenden van het perceel [perceel] nabij [huisnummer] te [plaats] in gesprek te gaan over de plek waar de bomen zullen worden herplant.
3.4.
Voor zover eisers gronden hebben aangevoerd tegen de bouw van de woningen en de bouwwerkzaamheden of het bestemmingsplan “De Kreken fase 2” vallen deze buiten de omvang van het geschil.
4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.ABRvS 25 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ0835.