ECLI:NL:RBDHA:2021:1181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2021
Publicatiedatum
17 februari 2021
Zaaknummer
NL21.980
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 18 DublinverordeningArt. 25 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard

Eiser, een Gambiaanse staatsburger, diende op 5 oktober 2020 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat op basis van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 1 november 2013 in Italië een asielaanvraag had ingediend. Nederland deed een verzoek tot terugname, dat Italië op 5 november 2020 accepteerde.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet langer geldt vanwege ontoereikende opvangvoorzieningen, onderbouwd met een rapport van het Europees Comité voor Sociale Rechten uit 2014. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en verwees naar het claimakkoord van 5 november 2020 waarin Italië toezegt de asielaanvraag conform Europese richtlijnen te behandelen.

De rechtbank stelde vast dat eiser geen nieuwe gronden aanvoerde tegen de motivering van verweerder en dat zijn persoonlijke omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden vormen die overdracht aan Italië onevenredig hard maken. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.980

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 januari 2021 (het bestreden besluit).
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL21.981, plaatsgevonden op 3 februari 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Gambiaanse nationaliteit te bezitten. Op 5 oktober 2020 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [1] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 1 november 2013 in Italië een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening is Italië verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Op 5 november 2020 heeft Italië het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië op grond van artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening vaststaat.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij is een alleenstaande man die geen toegang heeft tot de opvang en andere voorzieningen. In Italië zijn er geen bed-, bad- en broodvoorzieningen voor uitgeprocedeerde asielzoekers, zoals eiser. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar het rapport van de Europees Comité voor Sociale Rechten van 1 juli 2014. [2] Voor het overige volstaat eiser met een verwijzing naar zijn zienswijze. Gelet op het voorgaande heeft verweerder ten onrechte de asielaanvraag van eiser niet aan zich getrokken, aldus eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Italië haar internationale verplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hierin niet geslaagd. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat ten aanzien van Italië nog steeds onverkort kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, en ook dat Dublin-terugkeerders in Italië toegang zullen krijgen tot adequate zorg en opvang. [3] [4] De informatie uit het rapport van de Europese Commissie van 1 juli 2014 over de bed-, bad- en broodvoorziening waar eiser naar heeft verwezen, is voor hem niet van toepassing. Met het claimakkoord van 5 november 2020 heeft Italië toegezegd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn. [5] Met deze garantie hoeft eiser geen beroep te doen op de bed-, bad- en broodvoorziening in Italië. Voor zover eiser na overdracht aan Italië problemen ondervindt bij het verkrijgen van opvang of met andersoortige problemen te maken krijgt, kan hij daarover klagen bij de daartoe aangewezen Italiaanse autoriteiten. Het is niet gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of dat de Italiaanse autoriteiten hem daarbij niet kunnen of willen helpen.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser voor wat betreft de overige gronden van zijn beroep heeft volstaan met een herhaling van zijn zienswijze. Verweerder heeft hierop in het bestreden besluit gemotiveerd gereageerd. Nu eiser in beroep niet heeft aangevoerd waarom deze motivering onvoldoende of onjuist is, kan die motivering standhouden.
6. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser aan Italië van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU), nr. 604/2013.
2.European Committee of Social Rights 1 juli 2014, Complaint No. 90/2013.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ABRvS 15 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2449, ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020 en ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:987.
5.Richtlijn 2013/33/EU.