ECLI:NL:RBDHA:2021:12039
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Eiseres ontving vanaf 20 januari 2017 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Verweerder beëindigde de uitkering per 28 januari 2020 en vorderde terugbetaling van de uitkering over de periode 1 juli 2019 tot 28 januari 2020 wegens vermoedelijke gezamenlijke huishouding met de heer A.
Na onderzoek door sociale recherche, waaronder huisbezoek en waarnemingen, concludeerde verweerder dat eiseres en de heer A hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en dat eiseres haar inlichtingenplicht had geschonden door dit niet te melden. Eiseres stelde dat zij haar verklaring onder druk had afgelegd en dat de heer A niet zijn hoofdverblijf bij haar had.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van eiseres rechtsgeldig was, dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om gezamenlijke huishouding vast te stellen en dat de beëindiging en terugvordering terecht waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de beëindiging en terugvordering van haar bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.