Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
- de Minister kan van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv Pro gebruik maken als zeker of hoogstwaarschijnlijk is dat v.i. in het land van veroordeling wordt verleend;
- onjuist is het standpunt van de Staat dat het voorgaande uitsluitend beoordeeld kan worden op het moment van de beslissing tot erkenning van het buitenlandse vonnis (in het geval van [eiseres] dus op 13 december 2018); de Minister kan in een later stadium alsnog van zijn bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv Pro gebruik maken;
- beoordeeld moet worden of er aanwijzingen zijn dat het zeker of hoogstwaarschijnlijk is dat de SURB op basis van de thans voorhanden zijnde informatie v.i. aan [eiseres] zou verlenen; alleen wanneer hiervan sprake is, zal de Minister niet en zeker niet zonder meer mogen weigeren van voormelde bevoegdheid gebruik te maken;
- er is, gelet op a) de rapportage van [A], b) de door de Mentor PIW van [eiseres] verstrekte informatie, c) de uitgebreide rapportage van Bureau strafrechtadvies [… 1] en [… 2] en d) de gegevens over haar verblijfplaats en werk bij verlening van v.i., in het geval van [eiseres] mogelijk sprake van dergelijke aanwijzingen;
- vanwege de door [eiseres] aangedragen informatie mag van de Minister een inspanning worden verwacht om te verifiëren of die informatie de conclusie wettigt dat hoogstwaarschijnlijk is dat in België v.i. aan [eiseres] verleend zou zijn of in de nabije toekomst verleend zou worden;
- onvoldoende is dat een Belgische ambtenaar heeft verklaard te garanderen dat een SURB geen v.i. zou toestaan; van de Staat mag worden verlangd dat hij een serieuze onderbouwing verlangt, waarin meer dan oppervlakkig wordt ingegaan op de door [eiseres] aangedragen informatie;
- de Minister kan de weigering om gebruik te maken van de bevoegdheid ex artikel 6:2:10 lid 4 Sv Pro in redelijkheid niet baseren op de reactie van [B]; er zal alsnog een beoordeling moeten plaatsvinden of de SURB naar de (gemotiveerde) inschatting van de Belgische autoriteiten hoogstwaarschijnlijk op basis van de huidige informatie zou overgaan tot verlening van v.i., terwijl daarbij ook betrokken kan worden de vraag welke voorwaarden daarbij mogelijk zouden worden gehanteerd;
- voor toewijzing van de vordering, waarvoor als maatstaf geldt dat de Minister in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van diens in artikel 6:2:10 lid 4 Sv Pro gegeven bevoegdheid is het te vroeg.