ECLI:NL:RBDHA:2022:4014
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vervroegde voorwaardelijke invrijheidstelling bij tenuitvoerlegging Belgische gevangenisstraf in Nederland
Eiser, met de Nederlandse nationaliteit, is in België veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden en andere sancties. Zijn straf wordt in Nederland ten uitvoer gelegd op grond van het EU-Kaderbesluit en de Nederlandse implementatiewet WETS. Eiser vordert staking of opschorting van de tenuitvoerlegging en toekenning van vervroegde voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) na het ondergaan van een derde van zijn straf, zoals volgens Belgische regelgeving mogelijk zou zijn.
De rechtbank overweegt dat de Nederlandse wetgeving in beginsel van toepassing is op de tenuitvoerlegging, maar dat de minister de bevoegdheid heeft om af te wijken en rekening te houden met het tijdstip van v.i. in België indien dit met zekerheid of grote waarschijnlijkheid vaststaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat onvoldoende vaststaat dat v.i. in België op dit moment zeker of hoogstwaarschijnlijk zou worden verleend, mede vanwege het ontbreken van een gedegen beoordeling van het recidiverisico door bevoegde Belgische instanties.
De door eiser overgelegde reclasseringsrapporten zijn ontoereikend om een indringende beoordeling te ondersteunen. Ook persoonlijke omstandigheden en eerdere v.i.-beslissingen in andere zaken bieden geen grond voor toewijzing. De minister handelt niet onrechtmatig door geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de Belgische regeling toe te passen en door zich niet in te spannen voor een gemotiveerde inschatting van de Belgische autoriteiten. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot staking of opschorting van de tenuitvoerlegging en toekenning van vervroegde voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen.