ECLI:NL:RBDHA:2021:12357
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen terugkeerbesluit na aanvraag verblijfsvergunning bij minderjarig kind
Eiser kreeg op 10 juni 2020 een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen. Hij diende vervolgens op 4 juli 2020 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning vanwege verblijf bij zijn Nederlandse minderjarige kind, waardoor de werking van het terugkeerbesluit van rechtswege werd opgeschort.
De rechtbank overwoog dat de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit moet worden beoordeeld op basis van de feiten ten tijde van het besluit. Omdat eiser toen geen rechtmatig verblijf had, was het besluit terecht opgelegd. De aanvraag verblijfsvergunning gaf nog geen vaststelling van rechtmatig verblijf, maar leidde wel tot opschorting van het terugkeerbesluit.
Verweerder stelde dat het terugkeerbesluit was ingetrokken, maar de rechtbank vond dat niet uit de correspondentie bleek en dat het terugkeerbesluit blijft gelden zolang eiser niet aan zijn terugkeerverplichting voldoet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en afgewezen.