ECLI:NL:RBDHA:2021:12402
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden na sepot mensenhandel
Eiser, afkomstig uit Gambia, diende in Nederland een asielaanvraag in nadat hij eerder in Duitsland een asielprocedure had gestart. Hij kreeg een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden vanwege het doen van aangifte mensenhandel. Nadat de officier van justitie op 17 juli 2019 besloot geen vervolging in te stellen, trok de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de verblijfsvergunning per die datum in.
Eiser voerde aan dat de strafrechtelijke vervolging niet onherroepelijk beëindigd was vanwege een lopende beklagprocedure tegen het sepotbesluit en dat hij onterecht prematuur werd geconfronteerd met het voornemen tot intrekking. Tevens stelde hij dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro omdat hij zich in Nederland had gevestigd en dat hij ten onrechte niet gehoord was in de bezwaarfase.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat de grondslag van de vergunning was komen te vervallen door het sepotbesluit. De beklagprocedure gaf geen verblijfsrecht en mocht niet worden afgewacht. De vermeende schending van artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat eiser nog geen langdurig rechtmatig verblijf had en onvoldoende onderbouwde dat hij zich had geworteld. Ook was geen schending van de hoorplicht vastgesteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden is ongegrond verklaard.