ECLI:NL:RBDHA:2021:12402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2021
Publicatiedatum
15 november 2021
Zaaknummer
20-6402 20-6403
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 AwbArt. 12 Wetboek van StrafvorderingArt. 3.48 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 18 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden na sepot mensenhandel

Eiser, afkomstig uit Gambia, diende in Nederland een asielaanvraag in nadat hij eerder in Duitsland een asielprocedure had gestart. Hij kreeg een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden vanwege het doen van aangifte mensenhandel. Nadat de officier van justitie op 17 juli 2019 besloot geen vervolging in te stellen, trok de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de verblijfsvergunning per die datum in.

Eiser voerde aan dat de strafrechtelijke vervolging niet onherroepelijk beëindigd was vanwege een lopende beklagprocedure tegen het sepotbesluit en dat hij onterecht prematuur werd geconfronteerd met het voornemen tot intrekking. Tevens stelde hij dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro omdat hij zich in Nederland had gevestigd en dat hij ten onrechte niet gehoord was in de bezwaarfase.

De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat de grondslag van de vergunning was komen te vervallen door het sepotbesluit. De beklagprocedure gaf geen verblijfsrecht en mocht niet worden afgewacht. De vermeende schending van artikel 8 EVRM Pro werd verworpen omdat eiser nog geen langdurig rechtmatig verblijf had en onvoldoende onderbouwde dat hij zich had geworteld. Ook was geen schending van de hoorplicht vastgesteld.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/6402 en AWB 20/6403
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 19 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser], eiser/verzoeker

V -nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Procesverloop

In het besluit van 27 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) verleende verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitaire gronden’ per 17 juli 2019 ingetrokken.
In het besluit van 20 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

Wat is de aanleiding voor deze uitspraak?
1. Eiser komt oorspronkelijk uit Gambia. Hij heeft dat land verlaten, is in Duitsland terecht gekomen en heeft daar een asielaanvraag ingediend. Vervolgens is eiser naar Nederland gekomen en hij heeft hier op 3 februari 2018 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat hij Duitsland verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag (vanwege de in Duitsland eerder ingediende asielaanvraag). Dit besluit van 20 april 2018 staat vast door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2018 [1] . Voordat verweerder eiser kon overdragen aan Duitsland, is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Naar later bleek, is eiser zelf naar Duitsland gegaan.
Op 15 februari 2019 heeft eiser zich weer gemeld bij verweerder en heeft hij op 8 mei 2019 te kennen gegeven aangifte te willen doen van mensenhandel. Vanwege deze aangifte heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning verleend op ‘tijdelijke humanitaire gronden’. De geldigheidsduur is van 7 mei 2019 tot 7 mei 2020.
Op 17 juli 2019 heeft de officier van justitie besloten geen vervolging in te stellen naar aanleiding van eisers aangifte, omdat Nederland geen rechtsmacht toekomt. Vervolgens heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken.
Op 23 oktober 2019 is eiser naar aanleiding van deze beslissing van de officier van justitie een beklagprocedure gestart bij het Gerechtshof ‘s-Gravenhage.
Op 3 september 2020 heeft eiser een nieuwe asielaanvraag ingediend.
Waarom heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken?
2. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser per 17 juli 2019 ingetrokken, omdat hij volgens verweerder vanaf dat moment niet meer aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning voldoet. Aan hem is een verblijfsvergunning op ‘tijdelijke humanitaire gronden’ verleend vanwege het doen van aangifte mensenhandel. Eén van de voorwaarden van deze verblijfsvergunning is dat sprake moet zijn van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek [2] . Volgens verweerder is daarvan geen sprake meer, omdat de officier van justitie op 17 juni 2019 heeft besloten geen vervolging in te stellen.
Waarom is eiser het niet eens met de intrekking van zijn verblijfsvergunning?
3. Eiser is het niet eens met de intrekking, omdat nog niet onherroepelijk vast staat dat de strafrechtelijke vervolging daadwerkelijk als beëindigd kan worden beschouwd. Eiser is tegen de beslissing van de officier van justitie, om geen vervolging in te stellen, een beklagprocedure gestart. Volgens eiser is de reden voor het doen van de aangifte nog steeds reëel en actueel. Verder voert eiser aan dat, ondanks de beslissing van de OvJ, hij eerder langduriger in aanmerking had moeten komen voor een vergunning ‘tijdelijke humanitaire gronden’ en in het verlengde daarvan na verloop van tijd een vergunning ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Daar merkt eiser bij op dat hij prematuur is geconfronteerd met het voornemen om zijn verblijfsvergunning in te trekken, omdat de sepotbeslissing dateert van 17 juli 2020 en het voornemen van verweerder van 18 augustus 2019.
Verder voert eiser aan dat het besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij verblijft al enige tijd rechtmatig in Nederland en is zich hier aan het wortelen. Daar merkt eiser bij op dat verweerder aanleiding had moeten zien om af te wijken van zijn beleid op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Tot slot voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte in de bezwaarfase niet heeft gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning heeft mogen intrekken. Eiser voldoet namelijk vanaf 17 juli 2019, de datum dat de officier van justitie heeft besloten om geen vervolging in te stellen, niet meer aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning [3] . Met de beslissing van de officier van justitie is de grondslag van de verblijfsvergunning komen te vervallen. Het standpunt van eiser dat het vanwege de beklagprocedure naar aanleiding van de beslissing van de officier van justitie nog niet onherroepelijk vast staat dat de strafrechtelijke vervolging is beëindigd, volgt de rechtbank niet. Een beklagprocedure op grond van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waar het hier over gaat, geeft namelijk geen verblijfsrecht en mag niet in Nederland worden afgewacht [4] . Pas als het Gerechtshof de klacht gegrond verklaart, herleeft in beginsel het recht op een verblijfsvergunning vanwege het doen van aangifte mensenhandel.
De stelling van eiser dat hij prematuur is geconfronteerd met het voornemen om zijn verblijfsvergunning in te trekken, gaat niet op. Uit het dossier blijkt dat de beslissing van de officier van justitie dateert van 17 juli 2019 en dat eiser hiervan op de hoogte was. Hij is hierop gewezen in het voornemen van verweerder van 15 augustus 2019 en hij heeft hierop gereageerd. De datum van 17 juli 2020, zoals vermeld in het bestreden besluit, is daarmee volgens de rechtbank een kennelijke verschrijving. De stelling van eiser dat hij eerder langduriger in aanmerking had moeten komen voor een vergunning ‘tijdelijke humanitaire gronden’ en in het verlengde daarvan na verloop van tijd een vergunning ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’, gaat niet op. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat niet is gebleken dat hij om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft gevraagd op grond van paragraaf B8/3.2 van de Vc of dat het besluit van 20 april 2018 (waarin zijn asielaanvraag niet in behandeling is genomen) niet in rechte vaststaat.
5. Dat de intrekking van de verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM, volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder in het bestreden besluit vermeldt, is de enkele stelling van eiser dat hij hier een leven opbouwt onvoldoende om een schending van artikel 8 van Pro het EVRM aan te nemen. Daarbij heeft verweerder kunnen opmerken dat eiser nog geen jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Eiser heeft in 2018 enige tijd rechtmatig verblijf in Nederland gehad vanwege zijn asielprocedure. Hij is halverwege 2018 met onbekende bestemming vertrokken om zich vervolgens op 15 februari 2019 bij verweerder te melden. Vanwege zijn aangifte mensenhandel heeft hij van 7 mei tot 17 juli 2019 rechtmatig verblijf gehad in Nederland. Dat hij vanwege zijn nieuwe asielaanvraag op 3 september 2020 weer rechtmatig in Nederland verblijf, doet aan het voorgaande niet af. Dit is namelijk na het bestreden besluit. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb af te wijken van zijn beleid en af te zien van het intrekken van de verblijfsvergunning.
6. Verder is de rechtbank van oordeel geen sprake is van schending van de hoorplicht. De grondslag van de verleende verblijfsvergunning was komen te vervallen. Gelet op de inhoud van het bezwaar heeft verweerder zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond over de conclusie dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere conclusie.
Wat is de conclusie van deze uitspraak?
7. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de verblijfsvergunning van eiser heeft mogen intrekken. Verweerder heeft in wat eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding hoeven zien om dit niet te doen. Het beroep is ongegrond.
8. Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep, is er geen aanleiding meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2021.
De (voorzieningen)rechter is verhinderd
het proces-verbaal te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Zaaknummer 201804377/1/V3, niet gepubliceerd.
2.Paragraaf B8/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Zie artikel 3.48, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Zie ook artikel 19, in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie ter illustratie rechtsoverweging 4.1. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3309).