ECLI:NL:RBDHA:2021:12553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2021
Publicatiedatum
17 november 2021
Zaaknummer
AWB 20/3519
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.13 VbParagraaf B7/3.8.1 VreemdelingencirculaireWerkinstructie 2015/19
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen broer en zus

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn zus te verblijven. Eerder was een mvv verleend op grond van het jongvolwassenenbeleid, maar deze kon niet worden afgehaald vanwege militaire dienst in Syrië. Bij een nieuwe aanvraag werd de mvv afgewezen omdat eiser inmiddels ouder was dan 25 jaar en niet voldeed aan de voorwaarde van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met zijn broer, die in Nederland verblijft.

Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing en stelde dat hij nog steeds als jongvolwassene moest worden aangemerkt, waarbij hij verwees naar jurisprudentie en richtlijnen die ruimte bieden voor een ruimere beoordeling. De rechtbank overwoog dat het jongvolwassenenbeleid alleen ziet op de relatie tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en niet op die tussen broer en zus. Omdat eiser en zijn broer beiden meerderjarig zijn, moet er sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, wat niet is gesteld of gebleken.

De rechtbank concludeerde dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro tussen eiser en zijn broer. Hierdoor was een belangenafweging niet aan de orde en werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/3519

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [1990] , van onbekende nationaliteit, eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Melchers),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Inleiding en procesverloop
Eerder heeft eiser, tezamen met zijn ouders en zijn oudere broer, op 16 januari 2016 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf bij [A] ’ (zus van eiser/referent). Verweerder heeft de aanvragen van eiser, zijn broer en zijn ouders destijds ingewilligd. Ten aanzien van de aanvraag van eiser heeft verweerder daarbij destijds getoetst aan het jongvolwassenenbeleid [1] , eiser aangemerkt als jongvolwassene en de mvv op basis daarvan aan eiser toegekend. Omdat eiser in militaire dienst zat in Syrië en niet kon deserteren, heeft hij de mvv niet binnen de gestelde termijn van zes maanden kunnen afhalen bij de ambassade in Beiroet. Hij verblijft nog in Syrië. Referent, de oudere broer en hun ouders verblijven in Nederland.
Op 19 juli 2017 heeft referent namens eiser opnieuw een aanvraag voor een mvv voor het doel ‘verblijf bij [A] ’ ingediend.
In het besluit van 17 oktober 2017 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder als uitleg gegeven dat eiser, die op het moment van de tweede aanvraag 27 jaar oud was, niet langer als jongvolwassene wordt aangemerkt. Toekenning van de gevraagde mvv kan dan alleen plaatsvinden, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent. Volgens verweerder is daarvan – kort gezegd – niet gebleken. Dan is er geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Aan toetsing van de vraag of het familieleven voor bescherming in Nederland in aanmerking komt, is verweerder dan niet toegekomen.
Eiser is het hier niet mee eens en heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 31 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft in de bezwaren van eiser geen aanleiding gezien zijn standpunt, als verwoord in het primaire besluit, te wijzigen.
Eiser is het hier niet mee eens en heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020. Partijen hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser betoogt in beroep dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Volgens eiser dient hij als jongvolwassene te worden aangemerkt, zoals verweerder in de eerdere aanvraagprocedure ook heeft gedaan. Dat eiser door verloop van tijd ouder is geworden, mag hem bij toetsing aan het jongvolwassenebeleid niet worden tegengeworpen. Hij kon de eerder verleende mvv niet ophalen door zijn dienstplicht, deze belemmering is nu weggevallen en eiser heeft zo snel mogelijk een nieuwe aanvraag ingediend. De door verweerder gehanteerde leeftijdsgrens van 25 jaar is volgens eiser te strikt. Blijkens rechtspraak bestaat er ruimte voor afweging van (asielgerelateerde) omstandigheden. Eiser wijst daarbij op de uitspraak van 23 augustus 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS, ECLI:NL:RVS:2019:2863). Eiser verwijst verder naar de Gezinsherenigingsrichtlijn en de Werkinstructie 2015/19.
Nu eiser naar eigen zeggen als jongvolwassene moet worden aangemerkt, is niet relevant meer of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
2. Volgens verweerder voldoet eiser – kort gezegd – niet aan de voorwaarden voor inwilliging van de aanvraag.
3. In paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire is, voor zover relevant, bepaald dat de IND een verblijfsvergunning regulier verleent voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb.
(…)
De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro aan tussen meerderjarigen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties).
De IND neemt familie- en gezinsleven aan als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarige kind:
• Jongvolwassen is;
• met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;
• niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en
• geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
4. De rechtbank stelt vast dat met onderhavige aanvraag een mvv voor het doel ‘verblijf bij [A] ’ (zus van eiser/referent) is aangevraagd. De vraag is dan of sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en referent. Aangezien beiden ten tijde van de aanvraag meerderjarig waren, moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent om familie- en gezinsleven tussen hen aan te nemen. Niet gesteld of gebleken is dat daarvan sprake is.
5. De rechtbank overweegt verder dat de in paragraaf B7/3.8.1 genoemde uitzondering ten aanzien van een jongvolwassene, slechts ziet op gesteld familie- en gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen. Nu de aanvraag geen betrekking heeft op het familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn ouders, kan een beroep op het jongvolwassenebeleid eiser reeds om die reden niet baten. Aan een beoordeling hoe het jongvolwassenebeleid getoetst moet worden, komt de rechtbank dan niet toe. Dat verweerder in een eerdere procedure wel aan het jongvolwassenebeleid heeft getoetst, maakt hierbij geen verschil. Onderhavige aanvraag moet getoetst worden op basis van de situatie ten tijde van de aanvraag en aan de hand van het bijbehorend toetsingskader.
6. De rechtbank overweegt ten slotte dat, nu niet is gebleken van familie- en gezinsleven tussen eiser en referent, aan een afweging van de belangen niet wordt toegekomen. Om die reden laat de rechtbank de argumenten van eiser hieromtrent buiten bespreking.
7. Nu de beroepsgronden niet slagen, is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 7 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) en Werkinstructie 2015/4