ECLI:NL:RBDHA:2021:12613
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid volgens WIA-beoordeling
Eiser ontving sinds 2016 een Ziektewet-uitkering. Na het doorlopen van de wachttijd van 104 weken vroeg hij een WIA-uitkering aan, die werd geweigerd. Na verergering van klachten door het overlijden van zijn vader, werd eiser opnieuw ziekgemeld en kreeg hij een ZW-uitkering toegekend. De verzekeringsarts stelde op basis van onderzoek en overleg met een arbeidsdeskundige vast dat eiser geschikt was voor twee functies binnen de WIA-beoordeling.
Eiser maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn ZW-uitkering, stellende dat zijn beperkingen waren toegenomen en dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening hield met de verslechterde medische situatie en de behandeling die hij zou ondergaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigde het eerdere oordeel en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat alle klachten waren betrokken en dat de verzekeringsarts b&b de beperkingen adequaat had vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst. De rechtbank vond geen reden om het medisch oordeel te verwerpen en concludeerde dat eiser geschikt was voor arbeid, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid.