ECLI:NL:RBDHA:2021:12769
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht kinderbijslagaanvraag volgens dwingend recht
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarbij zijn bezwaar tegen een kinderbijslagtoekenning met terugwerkende kracht van één jaar werd afgewezen. De ex-partner van eiser had eerder ten onrechte kinderbijslag ontvangen over een periode vanaf september 2017, waarna zij dit bedrag terugbetaalde. Eiser stelde dat hij recht had op kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf het vierde kwartaal van 2017, maar de Svb kende dit slechts toe vanaf het eerste kwartaal van 2019.
De rechtbank oordeelde dat artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) dwingend recht is en bepaalt dat kinderbijslag niet met meer dan één jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend. De rechtbank verwierp het beroep van eiser, ook omdat artikel 14, vijfde lid, AKW niet van toepassing is op de reguliere kinderbijslag, maar op een extra bedrag bij intensieve zorg.
De rechtbank concludeerde dat de Svb terecht heeft beslist dat er geen recht bestaat op kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal 2017 tot en met het vierde kwartaal 2018. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de terugwerkende kracht van kinderbijslag blijft beperkt tot één jaar.