ECLI:NL:RBDHA:2021:12950
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag afgeleid verblijfsrecht op grond van arrest Chavez-Vilchez
Eiseres, met de Afghaanse nationaliteit, vroeg een document aan op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat bevestigt dat zij afgeleid verblijfsrecht heeft op basis van EU-recht. De aanvraag werd afgewezen omdat zij een geldige Duitse verblijfsvergunning heeft en haar minderjarige kind, met de Nederlandse nationaliteit, daardoor niet gedwongen wordt het grondgebied van de EU te verlaten.
Eiseres stelde dat zij haar Duitse verblijfsrecht had ingetrokken en dat de Duitse autoriteiten dit verzoek in behandeling hadden, waardoor zij niet kon terugkeren naar Duitsland. De rechtbank oordeelde dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat haar verblijfsrecht in Duitsland is vervallen of ingetrokken, en dat verweerder dit niet hoeft vast te stellen. De situatie werd gezien als een patstelling, maar geen bewijsnood die leidt tot omkering van de bewijslast.
Verder werd geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat eiseres meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht of dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat die het kind zou dwingen de EU te verlaten. Ook het beroep op schending van de hoorplicht werd verworpen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de aanvraag af.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor afgeleid verblijfsrecht.